Rb. Arnhem 19 februari 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AF6107

Art. 2 van de Regeling tegemoetkoming ziektekosten RDW onverbindend wegens strijd met doel van de Regeling. Namens eiser is verzocht om eiser (verzekerd bij de Zwolsche Algemeene) m.i.v. 1 januari 1999 een overeenkomstige premie toe te kennen als wanneer hij deelgenomen zou hebben aan de collectieve verzekering (bij CZ). Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Rb: Vastgesteld moet worden dat art. 2 van de Regeling tegemoetkoming ziektekosten RDW een onderscheid maakt tussen bij verweerder werkzame ambtenaren die deelnemen aan de door verweerder met CZ gesloten collectieve ziektekostenverzekering en die dat niet doen. De vraag die zich vervolgens opdringt is of het door verweerder gemaakte onderscheid zich wel verdraagt met het in art. 1 GW en art. 26 IVBPR verankerde gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de Regeling - mede gezien de wettelijke grondslag hiervan in art. 4o Wvw - tot doel heeft een adequate bijdrage van de werkgever te leveren in de premies voor een door ambtenaren af te sluiten particuliere ziektekostenverzekering. Ter adstructie van dit standpunt kan tevens worden verwezen naar de inhoud van een gelijksoortige regeling voor het rijkspersoneel dat krachtens (onder meer) het ARAR is aangesteld, zoals het Besluit tegemoetkoming rijkspersoneel (Besluit van 3 augustus 1994, Stb. 608), alsmede naar het ook in de Ziekenfondswet neergelegde uitgangspunt dat de ziektekosten van het personeel voor de helft door de werkgever worden gedragen. De rechtbank heeft geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden voor het oordeel dat art. 2 van de Regeling, voor zover daarbij het genoemde onderscheid wordt gemaakt, objectief gerechtvaardigd en noodzakelijk is ter verwezenlijking van het met de Regeling beoogde doel. De rechtbank meent voor haar opvatting tevens steun te vinden in het KB van 29 juni 1987, Stb. 318 (TAR 1987/181) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 mei 1987 (TAR 1987/164). De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer, verweerder. mr. F.H. de Vries Hoger beroep: LJN AT3475.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen