Rb. Arnhem 16 januari 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AF3748
Bij toepassing van art. 22 Wet REA is van belang of de gevolgde scholing in voldoende mate tot substantiële verbetering van de arbeidsmarktpositie leidt. Afwijzing vergoeding scholing bij stichting “De Voorde”, aangezien deze scholing niet voldoet aan de vereisten van art. 22.1 Wet REA. Rechtbank: de in art. 22 Wet REA aan verweerder toegekende discretionaire bevoegdheid brengt met zich dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik maakt in rechte terughoudend moet worden getoetst. Vergoeding van kosten, samenhangend met een scholing, kan in beginsel slechts aan de orde komen als met een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door de handicap veroorzaakte verlies of dreigend verlies aan verdiencapaciteit (CRvB 24 oktober 2000, RSV 2001, 25, url(''LJN: ZB9006'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=zb9006) ). In het kader van de beoordeling of een voorziening als bedoeld in art. 22.2 Wet REA zal worden verstrekt, legt verweerder dan ook terecht de maatstaf aan of de scholing in voldoende mate leidt tot een substantiële verbetering van de arbeidsmarktpositie, zodat als gevolg van de scholing voldoende uitzicht bestaat op loonvormende arbeid. In casu is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de door eiseres gevolgde scholing ziet op een substantiële verbetering van haar arbeidsmarktpositie. Beroep ongegrond. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. M.E. Snijders
De uitspraak op rechtspraak.nl