Rb. Arnhem 26 april 2002, ECLI:NL:RBARN:2002:AE4494
Verzoek om terug te komen op onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter is niet aan te merken als nieuwe aanvraag als bedoeld in art. 4:6 Awb. Beschikking kantonrechter dat verweerder van eiser een bedrag van ƒ 25.381,77 kan terugvorderen. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Naar aanleiding van een verzoek van eiser om het bedrag te corrigeren heeft verweerder meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de kwestie zal worden ingegaan. De vraag die zich hier voordoet is of verweerder het verzoek van eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als bedoeld in art. 4:6 Awb. In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, die, waren zij bekend geweest, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de kantonrechter ongedaan te maken. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78, LJN ZB9221 ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9221. De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht in de beschikking van de kantonrechter. Verweerder heeft de verzoeken van eiser terecht niet aangemerkt als een verzoek als bedoeld in art. 4:6 Awb. De reactie(s) van verweerder is een feitelijke mededeling, die niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Burgemeester en wethouders van Wijchen, verweerder. mr. J.N.A. Bootsma
De uitspraak op rechtspraak.nl