Rb. Arnhem 30 mei 2001, ECLI:NL:RBARN:2001:AB2263
Uitleg "noodzaak tot het treffen van voorzieningen" ex art. 14 Woningwet. Weigering toepassing art. 14 Woningwet op de grond dat geen sprake is van een noodzakelijke voorziening en weigering toepassing art. 125 Gemeentewet. Geplaatst is een afvoervoorziening vanuit een verblijfsruimte uitmondend in een opening in een zijmuur op minder dan 2 meter afstand van de perceelsgrens met eisers perceel. Sprake is van een nieuwe voorziening. Mitsdien moet de voorziening worden getoetst aan de voorschriften van hoofdstuk II van het Bouwbesluit. Voor dit standpunt wordt mede steun gevonden in de definitie van "bouwen" in art. 1.1.c Woningwet en in de toelichting op het Bouwbesluit onder punt 2.1.6. De afvoer voldoet niet aan art. 30.3 Bouwbesluit. Vrijstelling ex art. 406 Bouwbesluit is niet mogelijk. Uit de wetsgeschiedenis van art. 14 Woningwet leidt de rechtbank af dat de noodzaak tot het treffen van voorzieningen niet alleen bestaat in een situatie waarin het treffen van voorzieningen geen uitstel gedoogt, maar ook kan bestaan in het licht van de noodzaak om de bouw- en woontechnische kwaliteit van de woningbouw op een aanvaardbaar peil te houden. Nu de wetgever kennelijk heeft beoogd een zekere zelfstandige betekenis toe te kennen aan het begrip "noodzakelijk voorzieningen" ziet de rechtbank onvoldoende reden om de uitspraak van de ABRS van 15-12-1994 (AB 1995, 264) betreffende de uitleg van het (toenmalige) art. 25.1.b Woningwet 1962 ook op art. 14.1 Woningwet van toepassing te achten in die zin dat strijd met het Bouwbesluit altijd zou impliceren dat er sprake is van noodzakelijk te treffen voorzieningen. Wel is de rechtbank in het licht van de wetsgeschiedenis van oordeel dat als er in concreto sprake is van een situatie van schade of hinder voor derden er dan ook in ieder geval de noodzaak bestaat om voorzieningen te treffen. Nu art.30 Bouwbesluit is opgenomen onder paragraaf 2 met als aanduiding "bescherming tegen schadelijke of hinderlijke stoffen" en eiser (geur)hinder ondervindt is daarmee gegeven dat verweerder gehouden is toepassing te geven aan art. 14 Woningwet. Gegrond beroep. Art. 30.10 Bouwbesluit staat niet in de weg aan het voldoen aan art. 30.3. De in het tiende lid gestelde eis dat de afvoer rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden wil niet zeggen dat dit via de kortst mogelijke route dient te gebeuren, doch dat de afvoer ononderbroken dient plaats te vinden. Gelet op art. 26, eerste en tweede lid Woningwet is met het voorschrift van art. 14 Woningwet niet direct de plicht tot het verbinden van toepassing van bestuursdwang aan de aanschrijving gegeven. Verweerder zal zich daaromtrent nader moeten beraden in het licht van de vaststelling dat toepassing moet worden gegeven aan art. 14 Woningwet. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen, verweerder. mr. J.J. Penning
De uitspraak op rechtspraak.nl