Rb. Amsterdam 9 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9844
Einde samenlevingsovereenkomst. Vorderingen toedeling woning, gebruiksvergoeding, kosten nieuwe keuken, schade aan de woning. 3:185, 3:169, 3:172, 6:212 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/782114 / HA ZA 26-64
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. I.M.G. Maste,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. H. Shawky.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 13 januari 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met daarin de eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] met producties,
- het tussenvonnis van 3 juni 2026 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende producties van [eiser], - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het dossier bevinden.
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1 [eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 26 juni 2021 hebben zij samen de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) gekocht. Partijen zijn samen, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning. Zij hebben ook ieder voor een gelijk deel, een hypothecaire geldlening afgesloten en eigen middelen ingebracht.
2.2 Op 28 september 2021 zijn [eiser] en [gedaagde] een samenlevingsovereenkomst met elkaar aangegaan. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
VERGOEDINGSRECHTEN
Artikel 5
Indien aan het vermogen van een partij een waarde is onttrokken ten behoeve van de andere partij, heeft deze jegens de andere partij recht op een vergoeding gelijk aan de waarde ten tijde van de onttrekking (nominaliteitsleer in tegenstelling tot de beleggingsleer). Het bedrag is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen directe opeisbaarheid verzetten.
VERDELING WONING NA BEËINDIGING SAMENLEVING
Artikel 17
1. Betreft de in het vorige artikel bedoelde verdeling een aan partijen tezamen toebehorende woning dan geldt, indien en voor zover zij omtrent de verdeling of verkoop daarvan niet in onderling overleg tot overeenstemming kunnen geraken, het bepaalde in dit artikel.
2. Uiterlijk drie maanden na het einde van de overeenkomst is ieder der partijen verplicht om de ander te kennen te geven of hij toedeling van de woning wenst.
[…]
5. Indien beide partijen toedeling van de woning wensen heeft ieder van hen het recht om zich tot de Kantonrechter, binnen wiens ressort de woning is gelegen, te wenden met het verzoek om met inachtneming van maatstaven van redelijkheid en billijkheid te bepalen aan wie van partijen de woning, met inachtneming van het hierna onder 6 bepaalde, dient te worden toegedeeld: partijen accepteren deze beslissing bij voorbaat.
6.a. Indien de woning in onderling overleg, dan wel op aanwijzing van de Kantonrechter, aan één van partijen wordt toegedeeld geschiedt deze toedeling tegen de waarde in onbewoonde staat (vast te stellen als hierna aangeven in het volgende artikel), terwijl degene die de woning krijgt toebedeeld verplicht is om de eventuele geldlening(en), aangegaan ter financiering van de woning geheel voor eigen rekening te nemen en de andere partij, door het bewerkstelligen van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid of het aflossen van de schulden, voor iedere aansprakelijkheid deswege te vrijwaren.
b. De partij aan wie de woning wordt toegedeeld kan tevens aanspraak maken op toedeling van de rechten uit een eventueel in verband met de financiering van de woning gesloten levensverzekering.
c. Indien en voor zover de verdeling met inachtneming van het onder a. en b. bepaalde leidt tot overbedeling van een partij dient deswege verrekening plaats te vinden, terwijl partijen tevens dienen over te gaan tot verrekening van hetgeen zij op grond van artikel 5 aan elkaar verschuldigd zijn.
d. De partij aan wie de woning wordt toegedeeld, is verplicht de kosten van de verdeling voor zijn/haar rekening te nemen.
AFWIKKELING; ARBITRAGE
Artikel 18
1. De waardering van de door partijen te verdelen goederen geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming dienaangaande door één of meer deskundigen, te benoemen door de Kantonrechter binnen wiens ressort de laatste gemeenschappelijke woning is gelegen.
[…]
(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT EIGEN WONING
Artikel 19
1. Ingeval de overeenkomst eindigt door opzegging of in onderling overleg, kan ieder van partijen de voorzieningenrechter verzoeken om te bepalen dat hij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beide partijen bewoonde woning.
2. Indien de woning aan beide partijen toebehoort of toebehoort aan de partij, die niet in de woning blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over de bedoelde periode aan de ander een, eventueel door de voorzieningenrechter vast te stellen, redelijke vergoeding te betalen. 3. Een regeling inzake verblijf of betaling als opgenomen in de leden 1 en 2 van dit artikel brengt nimmer het bestaan van een (onder)huurverhouding mee.
2.3 In oktober 2024 is de relatie tussen partijen geëindigd. Hierna is [gedaagde] in de woning blijven wonen.
2.4 Op 30 januari 2025 is de woning in opdracht van beide partijen getaxeerd op een waarde van € 365.000,00. De hypothecaire restschuld bedroeg op 1 maart 2026 € 242.934,70.
2.5 Op 13 april 2025 heeft [eiser] de vader van [gedaagde] een e-mail gestuurd waarin zij schrijft de woning te willen overnemen tegen de getaxeerde waarde. [eiser] schrijft dat [gedaagde] vanwege een behandeltraject dat zij volgt wel tot 1 januari 2026 in de woning kan verblijven.
2.6 Op 14 juli 2025 heeft de vader van [gedaagde] aan [eiser] een e-mail gestuurd waarin hij schrijft dat hij haar namens [gedaagde] uiterlijk op 31 augustus 2025 wil uitkopen uit de woning.
2.7 Op 14 september 2025 is er namens [eiser] een e-mail verzonden naar de zaakwaarnemer van de vader van [gedaagde]. Daarin staat dat [eiser] uiterlijk op 19 september 2025 duidelijkheid wil hebben of [gedaagde], dan wel zijzelf of een derde de woning zal kopen.
2.8 Op 8 december 2025 heeft [eiser] de samenlevingsovereenkomst opgezegd.
3 Het geschil
In conventie
3.1 [eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. De eenvoudige gemeenschap als volgt te verdelen:
a. Aan [eiser] toe te delen de woning tegen een waarde van € 365.000,00, waarbij [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen terzake de op de woning rustende hypotheek.
b. Te bepalen dat indien [gedaagde] niet meewerkt (ook niet bij volmacht) aan de juridische levering van haar aandeel in de woning aan [eiser] op een dor de notaris te bepalen datum en tijdstip, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de levering in het aandeel in de woning vereiste wilsverklaring van [gedaagde] in de notariële akte.
c. Te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] betaalt 50% van de overwaarde van de woning, zijnde € 365.000,00 minus de hoogte van de hypotheek op datum van de overdracht.
d. Te bepalen dat [gedaagde] is gehouden haar aandeel van 50% in de maandelijkse eigenaarslasten te voldoen en deze kosten aan [eiser] voldoet als [eiser] het aandeel van [gedaagde] betaalt.
2. [gedaagde] te gelasten de woning te verlaten en verlaten te houden met medeneming van haar eigendommen en zonder het toebrengen van schade aan de woning uiterlijk op twee dagen voor de notariële levering aan [eiser] op straffe van een dwangsom van € 1000,00 per dag of een gedeelte daarvan.
3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 5.647,50 terzake de keuken, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.
4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 7.900,00 terzake de schade, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.
5. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een gebruiksvergoeding per maand dat zij de woning gebruik, zijnde 3,5% over de overwaarde, alsmede 50% van de WOZ belasting, de Waterschapsrechten, de hypotheekrente en de bijdrage voor de vereniging van eigenaars (hierna: vve-bijdrage).
6. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf de dagvaarding en subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum.
7. Te bepalen dat [eiser] bevoegd is deze vordering te verrekenen bij de levering van de woning aan haar.
8. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten in geval [gedaagde] deze niet tijdig voldoet.
9. Dan wel een andere volgens de rechtbank rechtvaardige beslissing te nemen.
In reconventie
3.2 [gedaagde] vordert om bij vonnis,
De woning aan [gedaagde] toe te bedelen en te bepalen dat het vonnis in de plaatst komt voor de met de toedeling samenhangende formaliteiten voor zover [eiser] die weigert uit te voeren binnen tien dagen na betekening van het vonnis.
Haar voldoening van de hypothecaire rente sinds november 2024 aan te merken als compensatie voor de door [eiser] gevorderde gebruiksvergoeding.
Te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] de helft van de door [gedaagde] betaalde hypothecaire aflossingen van de lening moet betalen.
De kosten van de procedure te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.
3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1 Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk behandelen.
Toetsingskader
4.2 De samenlevingsovereenkomst tussen partijen is beëindigd en de bestaande goederengemeenschap moet tussen hen worden verdeeld. Het gaat in deze zaak om de verdeling van de woning die zij in gezamenlijke eigendom hebben. Partijen zijn over de verdeling van die woning niet tot overeenstemming gekomen. [eiser] is daarom deze procedure bij de rechtbank begonnen. Op grond van artikel 3:185, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter, op vordering van (een van) de partijen, de wijze van verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Daarbij neemt de rechtbank de door partijen gesloten samenlevingsovereenkomst als uitgangspunt, als het gaat om de gemaakte afspraken over verdeling. In dit verband merkt de rechtbank op dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter die de verdeling vaststelt, enige mate van vrijheid geniet, niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
De verdeling van de woning
4.3 Partijen vorderen allebei de toedeling van de woning aan zichzelf. [eiser] stelt dat zij [gedaagde] ruim de tijd heeft gegeven om de woning over te nemen, nadat [gedaagde] haar had laten weten dat te willen doen. Desondanks is voortgang in dat proces is uitgebleven en volgens [eiser] beschikt [gedaagde] niet over de middelen om de woning over te nemen. [eiser] voert verder aan dat zij de woning heeft verlaten, omdat zij vanwege mentale problematiek van [gedaagde] rust en ruimte nodig had om op adem te komen. De situatie waarin [eiser] nu verkeert, waarbij [gedaagde] in de woning verblijft en [eiser] al langere tijd op verschillende adressen van vrienden, haar vader en hotels verblijft, levert [eiser] echter veel stress op. Zij staat onder behandeling van een psycholoog en heeft belang bij toedeling van de woning, omdat dit haar de nodige rust zal geven. Daarnaast werkt [eiser] in de omgeving van de woning, heeft zij voor haar werk als docent een rustige thuiswerkplek nodig en wonen haar vrienden en haar vader (die een zorgbehoefte heeft) in de buurt. [gedaagde] kan volgens [eiser] met een urgentieverklaring of een bijdrage uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) begeleid wonen in de eigen gemeente of gemeenten daaromheen.
4.4 [gedaagde] brengt in reconventie naar voren dat zij mentale gezondheidsproblemen heeft en door de breuk in haar relatie met [eiser] in een psychose is terechtgekomen. [gedaagde] staat onder behandeling van een ggz-instelling en vanwege haar slechte mentale situatie duurt het proces om de woning van [eiser] over te nemen langer dan zij verwachtte. Haar vader helpt haar om het aandeel van [eiser] in de hypothecaire lening en de overwaarde over te nemen, maar ook hij heeft gezondheidsproblemen gehad. [gedaagde] stelt dat haar vader haar wel nog steeds kan helpen met geld vanuit zijn onderneming. Verder voert zij aan belang te hebben bij de toedeling van de woning, omdat haar zorgteam en haar sociale netwerk zich in de omgeving van de woning bevinden. Ook heeft zij in de woning haar rust gevonden en wil zij vanuit daar werken aan haar volledige terugkeer in de maatschappij.
4.5 In haar antwoord in reconventie heeft [eiser] eerst een formeel verweer gevoerd, zij stelt dat [gedaagde] niet-ontvankelijk is in haar vordering om toedeling van de woning. Anders dan artikel 17 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt, heeft zij niet uiterlijk binnen drie maanden na beëindiging van die overeenkomst gemeld dat zij de woning wenst over te nemen. [gedaagde] bestrijdt dat zij niet-ontvankelijk is in haar vordering, zij heeft tijdig aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zij de woning wilde overnemen.
4.6 Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde], anders dan [eiser] betoogt, ontvankelijk in haar vordering om toedeling van de woning. De samenlevingsovereenkomst is opgezegd op 8 december 2025 en voor die tijd, bijvoorbeeld met de e-mail van 14 juli 2025, was al duidelijk dat [gedaagde] de wens had de woning over te nemen. [eiser] heeft niet onderbouwd gesteld wat zij, na beëindiging van de samenlevingsovereenkomst nog heeft gemist op dit punt van [gedaagde]. Dat [gedaagde] nogmaals te kennen had moeten geven dat zij toedeling van de woning wenst om in deze procedure ontvankelijk te zijn in haar vorderingen, volgt de rechtbank niet.
4.7 Over de toedeling van de woning oordeelt de rechtbank als volgt. Het is van belang dat de wijze van verdeling, zoals die in dit vonnis wordt vastgesteld, een rechtvaardige verdeling is. Partijen hebben na beëindiging van hun relatie de woning zelf ook laten taxeren met het oog op een eerlijke verdeling. Omdat deze taxatie al bijna anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en de woningmarkt snel kan veranderen, is deze naar het oordeel van de rechtbank niet meer actueel en kan daarvan niet meer worden uitgegaan bij de verdeling. De rechtbank zal partijen daarom veroordelen om de woning eerst binnen drie weken nadat dit vonnis is uitgesproken opnieuw te laten taxeren. De waarde waarop de woning wordt getaxeerd, geeft partijen een duidelijk uitgangspunt om daarna verder te kunnen gaan met de verdeling zoals hierna wordt beschreven. Partijen zullen de kosten van deze taxatie ieder voor de helft moeten dragen.
4.8 Aan wie de woning wordt toegedeeld moet volgens artikel 17, vijfde lid, van de samenlevingsovereenkomst worden bepaald met inachtneming van maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit sluit aan op het wettelijk uitgangspunt van een verdeling naar billijkheid. Hoewel beide partijen niet hebben aangetoond dat zij financieel bij machte zijn de onverdeelde helft van de woning van de andere partij over te nemen, is die mogelijkheid aan beide zijden niet uitgesloten en hebben partijen ook beiden belang gesteld bij toedeling van de woning. Beide partijen wijzen op de eigen mentale gezondheid die gebaad is bij verblijf in de woning en het (sociale) netwerk in de buurt van de woning. [eiser] heeft verder naar voren gebracht dat haar werk en haar hulpbehoevende vader zich in [woonplaats] en omgeving bevinden. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat haar zorgteam zich in de omgeving van [woonplaats] bevindt.
4.9 Vanwege de door partijen gestelde belangen is de rechtbank van oordeel dat toedeling van de woning aan een van de partijen voorkeur heeft boven verkoop aan (een) derde(n). Voordat de woning aan (een) derde(n) wordt verkocht, krijgen partijen daarom allebei een in tijd beperkte laatste kans om de woning over te nemen. Partijen hebben beide zwaarwegende belangen gesteld bij toedeling van de woning. Voor een uitvoerbaar stappenplan voor de verdeling van de woning is het echter nodig dat één van de partijen als eerst de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen en daarna de ander. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat [gedaagde] al ruim anderhalf jaar in de woning woont en de woning fungeert als een stabiele plek in deze periode in haar leven waarin zij behandeltrajecten volgt voor haar psychische problematiek. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de zwaarwegende belangen die [eiser] op haar beurt heeft, maken deze omstandigheden dat [gedaagde] als eerste de kans krijgt om deze bestaande woonsituatie voor de toekomst te bestendigen. De rechtbank geeft [gedaagde], na de taxatie van de woning, twee maanden de tijd om een getekende hypotheekofferte van een hypotheekverstrekker aan [eiser] te overleggen, waaruit volgt dat zij [eiser] kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Ook moet hieruit volgen dat de hypotheekverstrekker bereid is – gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan haar – een aanvullende financiering te verstrekken, zodat zij in staat is het aandeel van [eiser] in de overwaarde van de woning (de waarde zoals volgt uit de taxatie zoals genoemd onder 4.7., minus de hypothecaire geldlening op het moment van het hoofdelijke ontslag van de aansprakelijkheid van [eiser]) aan [eiser] uit te betalen. Lukt het voorstaande niet binnen twee maanden na het verschijnen van het taxatierapport, dan krijgt [eiser] ook twee maanden de gelegenheid om dit te doen.
4.10 Als beiden niet in staat zijn om de woning in overeenstemming met het voorgaande over te nemen, zal de woning aan (een) derde(n) moeten worden verkocht. In dat geval krijgen [eiser] en [gedaagde] twee weken de tijd om gezamenlijk een makelaar de opdracht te geven tot verkoop aan (een) derde(n). Als zij niet binnen deze termijn gezamenlijk de vraagprijs voor de verkoop aan (een) derde(n) bepalen, zal de makelaar aan wie zij de opdracht tot verkoop geven een marktconforme vraagprijs bepalen. Vervolgens gaan partijen in overleg met de makelaar een verkoopovereenkomst aan met degene die de hoogste prijs biedt en zijn zij hun medewerking verplicht aan de levering van de woning. De opbrengst na aflossing van de hypothecaire geldlening zal evenredig tussen partijen worden gedeeld. Een eventuele onderwaarde na verkoop van de woning aan (een) derde(n) zal door partijen, ook ieder voor de helft moeten worden gedragen.
4.11 Wanneer [gedaagde] de woning overneemt zullen de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van [gedaagde] komen. Wanneer [eiser] de woning overneemt zullen dat deze kosten voor rekening van [eiser] komen. Tot slot zullen partijen bij verkoop aan (een) derde(n) de kosten van de verkoopmakelaar (zie hiervoor onder 4.10.), de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning ieder voor de helft moeten dragen.
De hypotheeklasten, vve-bijdragen en andere belastingen met betrekking tot de woning
4.12 Voor zover [gedaagde] in reconventie de hypothecaire aflossingen over de periode november 2024 tot aan de verdeling of verkoop van de woning vordert, is zij ervan uitgegaan dat haar vader de gehele hypotheeklasten aan [eiser] betaalde. Op zitting is echter gebleken dat partijen hebben afgesproken allebei de helft van de hypotheeklasten en eigenaarslasten van de woning te dragen. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd dat zij meer heeft betaald dan die helft. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat [gedaagde] voor de door haar betaalde aflossingen een vordering heeft op [eiser].
4.13 [eiser] heeft aangevoerd dat zij meer dan haar helft heeft betaald en daarmee betalingen van de eigenaarslasten, hypotheeklasten en vve-bijdrages ten behoeve van [gedaagde] heeft gedaan. [gedaagde] heeft zodoende een achterstand opgelopen in die kosten ter hoogte van € 1.804,67. [gedaagde] heeft deze achterstand op zitting erkend en toegezegd dat zij deze aan [eiser] zal betalen. De rechtbank zal [gedaagde] daarom veroordelen om, voor zover dat op het moment dat dit vonnis wordt uitgesproken niet is gedaan, € 1.804,67 aan [eiser] te betalen.
De gebruiksvergoeding
4.14 [eiser] betoogt dat [gedaagde] haar op grond van artikel 19, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst een gebruiksvergoeding verschuldigd is van 3,5% over de overwaarde per maand dat alleen [gedaagde] gebruik heeft kunnen maken van de gezamenlijke woning.
4.15 [gedaagde] voert aan dat [eiser] geen recht heeft op een gebruiksvergoeding, omdat [gedaagde] haar aandeel in de aflossing van de hypothecaire lening heeft voldaan. Die aflossing heeft volgens [gedaagde] geleid tot opbouw van eigen vermogen aan de zijde van [eiser].
4.16 De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] sinds de maand november 2024 alleen in de woning woont. [gedaagde] heeft dus langer dan anderhalf jaar het gebruik en het genot van de woning gehad, terwijl [eiser] dat niet had van haar aandeel in het eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onduidelijk of de vergoeding als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de samenlevingsovereenkomst ook ziet op situaties anders dan bedoeld in het eerste lid waarbij de kantonrechter op verzoek bepaalt dat één van de partijen in de woning mag blijven wonen. Evenwel strekt artikel 3:169 BW ertoe om degene die niet het gebruik en genot heeft van een gemeenschappelijk goed schadeloos te stellen door bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding te betalen. Dit heeft de rechtbank partijen dan ook voorgehouden tijdens de zitting. [eiser] komt op grond van deze wettelijke bepaling een gebruiksvergoeding toe. Zij heeft recht op een redelijke en billijke gebruiksvergoeding, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. De rechtbank kan de hoogte van de schadeloosstelling niet exact vaststellen en zal deze daarom schatten. Met partijen zal zij daartoe aansluiten bij het rendement over de woning, op basis van een fictief rendement over de overwaarde daarvan.
4.17 De overwaarde van de woning staat na verdeling dan wel verkoop van de woning vast. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de rentestanden over de periode sinds november 2024 in redelijkheid worden uitgegaan van het fictieve rendement van 2% over het aandeel van [eiser] in de overwaarde van de woning. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] daarom om 2% over het aandeel van [eiser] in de overwaarde van de woning op het moment van verdeling dan wel verkoop aan (een) derde(n) aan [eiser] te betalen per jaar en/of ieder gedeelte daarvan dat zij alleen gebruik heeft gemaakt van de woning. Als [gedaagde] in de woning blijft wonen tot aan de verdeling van de gemeenschap ziet dat dus op de periode vanaf november 2024 tot aan de verdeling. Dat [eiser] al voldoende gecompenseerd is doordat [gedaagde] haar aandeel in de hypothecaire geldlening heeft voldaan, volgt de rechtbank niet. Partijen hebben namelijk allebei maandelijks de helft van de kosten van de hypothecaire geldlening voldaan (zie onder 4.12 en 4.13).
De kosten voor de keuken
4.18 [eiser] voert aan dat zij een vordering ter hoogte van € 5.647,50 op [gedaagde] heeft. Begin 2022 is er in de woning namelijk een nieuwe keuken van € 11.295,00 geplaatst die zij heeft betaald. [eiser] beroept zich op artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst, de wettelijke regeling voor de verdeling van vruchten en voordelen (artikel 3:172 BW), ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] (artikel 6:212 BW) en de redelijkheid en billijkheid (6:2, eerste lid, BW).
4.19 [gedaagde] betoogt dat er geen grondslag bestaat voor de vordering van de helft van het aankoopbedrag van de keuken. Zij heeft op haar beurt andere investeringen in de woning gedaan waaraan [eiser] niet heeft meebetaald en bovendien komt de waardestijging door de investering in de keuken tot uitdrukking in de overwaarde die ook [eiser] toekomt.
4.20 Naar het oordeel van de rechtbank voert [gedaagde] terecht aan dat er geen rechtsgrond is op basis waarvan zij de helft van de aankoopsom van de keuken aan [eiser] moet betalen. Artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst is niet van toepassing, omdat de keuken onderdeel is geworden van de gemeenschap en [eiser] en [gedaagde] op zitting hebben verklaard dat soms de één en soms de ander iets ten behoeve daarvan betaalde. Over de kosten van de keuken hebben zij geen andere afspraken gemaakt. Daarnaast kent ook de wet geen regeling voor een recht op vergoeding zoals [eiser] dat wenst. Artikel 3:172 BW is van toepassing op handelingen die ten behoeve van (onderhoud en instandhouding) het gemeenschappelijke pand zijn verricht. Van onderhoud of instandhouding van de woning is in dit geval geen sprake geweest. Toen partijen de woning kochten zat er een keuken in de woning die weliswaar oud en niet mooi was, maar niet is gebleken dat er ten behoeve van het onderhoud of de instandhouding van de woning een noodzaak bestond om een nieuwe keuken aan te schaffen. Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank ook niet voldaan aan de voorwaarden van ongerechtvaardigde verrijking waardoor [gedaagde] de kosten van de keuken zou moeten vergoeden. Daarvoor is nodig dat [gedaagde] de kosten van de aanschaf van de nieuwe keuken zelf zou hebben gemaakt of verplicht was die te maken als [eiser] dat niet had gedaan. Gelet op wat hiervoor is overwogen over het gebrek aan noodzaak van de nieuwe keuken, kan dat niet worden vastgesteld. Ten slotte heeft [eiser] geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat zij desalniettemin een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiend vergoedingsrecht jegens [gedaagde] heeft.
De gestelde schade aan de woning
4.21 [eiser] voert aan dat [gedaagde] de woning sinds de beëindiging van de relatie niet heeft bewoond zoals verwacht mag worden en hieraan schade heeft veroorzaakt. [eiser] heeft foto’s overgelegd waaruit volgt dat wanden in de woning met graffiti zijn bespoten. Ook voert [eiser] aan dat er verf op de keuken en de vloer zit. Om dit alles te herstellen vordert zij een geraamd bedrag van in totaal € 7.900,00.
4.22 [gedaagde] erkent dat zij als gevolg van een psychose waarin zij terecht is gekomen, graffiti op de wanden in de woning heeft gespoten. Zij stelt de schade inmiddels te hebben hersteld. Voor zover dat voor de vloer nog niet het geval is, heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat zij die nog op de nodige plekken kan vervangen.
4.23 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] op basis van wat zij in deze procedure naar voren heeft gebracht geen recht op schadevergoeding. Hoewel [gedaagde] heeft erkend dat zij schade in de woning heeft aangericht en [eiser] betwist dat [gedaagde] de schade volledig heeft hersteld, heeft [eiser] niet onderbouwd dat er schadeposten voor haar rekening zijn gekomen en zij daarom schade heeft geleden. Ook heeft zij niet gemotiveerd dat de schade gevolgen heeft voor de waarde van de woning. [eiser] heeft daarover geen stelling ingenomen. Het verzoek van [eiser] om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De conclusie
4.24 Eerst krijgt [gedaagde] een in tijd beperkte laatste kans om toedeling van de woning te realiseren en vervolgens [eiser]. Als partijen er niet in slagen de woning binnen de daarvoor gestelde termijnen over te nemen, zal de woning worden verkocht aan (een) derde(n). [gedaagde] wordt veroordeeld om de eigenaarslasten, hypotheeklasten en vve-bijdrages aan [eiser] te betalen die [eiser] ten behoeve van haar heeft verricht en die zij nog niet heeft terugbetaald. Ook wordt [gedaagde] veroordeeld om een gebruiksvergoeding aan [eiser] te betalen.
4.25 Gelet op het onderwerp van het geschil zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank:
in conventie en reconventie
5.1 bepaalt dat partijen binnen drie weken na het wijzen van dit vonnis een opdracht aan een taxateur geven om een marktconforme waarde van de woning vast te stellen. Zolang geen taxateur is ingeschakeld is ieder van partijen gehouden om een taxateur de opdracht te geven om de waarde van de woning vast te stellen en om de andere partij daarvan op de hoogte te houden,
5.2 bepaalt dat partijen de kosten van de taxatie ieder voor de helft zullen dragen,
5.3 stelt de wijze van verdeling van de woning als volgt vast:
toedeling aan [gedaagde]:
5.3.1 deelt de woning toe aan [gedaagde] indien en voor zover zij binnen twee maanden nadat het taxatierapport is ontvangen (zie hiervoor onder 5.1.), een getekende hypotheekofferte van een hypotheekverstrekker aan [eiser] overlegt, waaruit volgt dat zij [eiser] zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, en de hypotheekverstrekker bereid is – gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan haar – een aanvullende financiering te verstrekken, waarmee zij het aandeel van [eiser] in de overwaarde van de woning aan [eiser] zal uitbetalen,
5.3.2 veroordeelt [eiser] om, bij haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening van de woning en uitbetaling van haar aandeel in de overwaarde van de woning, mee te werken aan de levering van de woning en bepaalt dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [eiser] die vereist zijn voor de levering en het transport van de woning,
5.3.3 bepaalt dat een eventuele onderwaarde door partijen, ieder voor de helft moet worden gedragen,
5.3.4 bepaalt dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van [gedaagde] komen,
toedeling aan [eiser]:
5.3.5 deelt de woning toe aan [eiser] indien en voor zover [gedaagde] niet voldoet aan de voorwaarden onder 5.3.1. en [eiser] vervolgens binnen twee maanden een getekende hypotheekofferte van een hypotheekverstrekker aan [gedaagde] overlegt, waaruit volgt dat zij [gedaagde] zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, en de hypotheekverstrekker bereid is – gelijktijdig met de toedeling / notariële levering van de woning aan haar – een aanvullende financiering te verstrekken, waarmee zij het aandeel van [gedaagde] in de overwaarde van de woning aan [gedaagde] zal uitbetalen,
5.3.6 bepaalt dat de door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde bedragen op grond van de betalingsveroordelingen hierna onder 5.4. en 5.5., door [eiser] op het aandeel van [gedaagde] in de overwaarde in mindering kunnen worden gebracht,
5.3.7 veroordeelt [gedaagde] om, bij haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening van de woning en uitbetaling van haar aandeel in de overwaarde van de woning, mee te werken aan de levering van de woning en bepaalt dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [gedaagde] die vereist zijn voor de levering en het transport van de woning,
5.3.8 bepaalt dat een eventuele onderwaarde door partijen, ieder voor de helft moet worden gedragen,
5.3.9 bepaalt dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van [eiser] komen,
toedeling aan (een) derde(n):
5.3.10 bepaalt de verkoop van de woning aan (een) derde(n) indien en voor zover [gedaagde] en [eiser] niet voldoen aan het bepaalde onder 5.3.1 en 5.3.5.,
5.3.12 bepaalt dat partijen in dit geval twee weken de tijd hebben om gezamenlijk een makelaar de opdracht tot verkoop aan (een) derde(n) te geven en gezamenlijk de vraagprijs voor de verkoop aan (een) derde(n) bepalen,
5.3.13 bepaalt dat, als partijen niet binnen twee weken erin slagen gezamenlijk de vraagprijs voor de verkoop van de woning aan (een) derde(n) te bepalen, de makelaar een marktconforme vraagprijs bepaalt,
5.3.14 bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt,
5.3.15 bepaalt dat als de verkoopovereenkomst met de betrokken derde(en) is gesloten beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan die betrokken derde(n),
5.3.16 bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna bij een resterende netto-verkoopopbrengst partijen eerst hun beider inleg terugkrijgen (naar waarde ten tijde van de inleg) en een eventuele resterende overwaarde gelijk dient te worden verdeeld. Bij een restschuld zal ieder van partijen de helft dragen,
5.3.17 bepaalt dat iedere partij bij overdracht aan (een) derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
en in ieder geval:
5.4 veroordeelt [gedaagde] om € 1.804,67 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.5 veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de gebruiksvergoeding aan [eiser] zoals vastgesteld onder 4.16. en 4.17., vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7 wijst het meer of anders gevorderde af;
5.8 compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Klinkhamer en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026