Rb. Amsterdam 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8580

Herziening AOW; gezamenlijke huishouding gaat verder dan zakelijke onderhuurrelatie; gezamenlijk huurcontract; huur niet consistent betaald; beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/117
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Ruijs)
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de herziening van het pensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een gehuwde. Eiser is het hier niet mee eens en voert aan dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb het AOW-pensioen terecht heeft herzien naar de norm voor een gehuwde. Sprake is van een gezamenlijke huishouding die verder gaat dan een zakelijke onderhuurrelatie. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Met een besluit van 24 april 2024 heeft de Svb het AOW-pensioen van eiser herzien vanaf juli 2023 naar de norm voor een gehuwde.

2.1 Met het bestreden besluit van 26 november 2025 op het bezwaar van eiser is de Svb daarbij gebleven.

2.2 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3 De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw [persoon] en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

3 Eiser heeft in mei 2022 een AOW-pensioen aangevraagd. Op deze aanvraag heeft eiser vermeld dat [persoon] een woonruimte van hem huurt. Desgevraagd heeft eiser vervolgens aan de Svb bankafschriften en een huurovereenkomst overgelegd, voor het adres [adres 1] in [woonplaats]. De Svb heeft eiser per 27 september 2022 een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande toegekend.

3.1 In juni 2023 is eiser – in verband met een renovatie van [adres 1] – verhuisd naar het adres [adres 2] in [woonplaats]. [persoon] is met eiser mee verhuisd.

3.2 De Svb is vervolgens gaan onderzoeken of nog steeds sprake is van een commerciële relatie. In het kader van dit onderzoek heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn Suwinet, het Kadaster en openbare bronnen geraadpleegd, is informatie opgevraagd bij woonstichting Eigen Haard, zijn bankafschriften bij eiser opgevraagd, heeft de Svb op 18 juni 2024 een huisbezoek afgelegd en heeft de Svb eiser op 14 augustus 2024 en 23 oktober 2024 op kantoor gesproken. Van de bevindingen van het onderzoek is op 5 februari 2025 een handhavingsrapport opgemaakt.

3.3 Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Aan het huisvestingscriterium is voldaan omdat eiser en [persoon] op hetzelfde adres wonen. Ook aan het zorgcriterium is voldaan. Eiser en [persoon] zijn samen verhuisd naar de [adres 2] en staan beide vanaf de begindatum als huurder op het huurcontract. Eiser en [persoon] staan er bij de woonstichting om bekend dat zij een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voeren en zij stonden gezamenlijk als woningzoekende ingeschreven voor een woning. Eiser maakt regelmatig grote bedragen naar de bankrekening van [persoon] over. Hij heeft gesteld dat dit leningen zijn, maar heeft geen duidelijkheid gegeven over de aard van de bedragen. [persoon] betaalt weliswaar regelmatig € 150,- als huur voor de woning, maar dit maakt niet dat sprake is van een commerciële relatie. Door het lenen van de gelbedragen is geen sprake van een puur zakelijke verhouding. Op basis van de feitelijke situatie is er sprake van financiële verstrengeling tussen eiser en [persoon] . Door de financiële verstrengeling wordt er bijgedragen aan de kosten van het huishouden.

3.4 Eiser voert aan dat de Svb het zorgcriterium onjuist heeft toegepast. Dat er geld is overgemaakt, is nog geen bewijs dat het om structurele bijdrage in huishoudkosten gaat. Dit betreffen leningen en een geldlening is naar zijn aard geen gift. In de door de Svb zelf vastgelegde dagelijkse leefpatronen ontbreken juist klassieke indicatoren voor wederzijdse zorg: geen gezamenlijke bankrekening/huishoudpot, geen gezamenlijke verzekeringen, geen machtigingen, eigen boodschappen, niet samen eten. In zo’n context kan de Svb niet volstaan met het label “leningen” of “grote bedragen” als doorslaggevend bewijs voor wederzijdse zorg. Voor zover de Svb (mede) steunt op formele indicatoren zoals inschrijving op hetzelfde adres, medehuur, naamplaatje, of op contextloze informatie uit sociale media, geldt dat deze factoren op zichzelf geen wederzijdse zorg bewijzen. De Svb heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke bedragen, data, frequentie en omschrijvingen het precies gaat, en evenmin is vastgesteld of sprake is van terugbetalingen, voorschotten, verrekeningen of andere verklaringen die passen binnen een huurrelatie of een losse financiële verhouding. Nu sprake is van een belastend herzieningsbesluit had dit wel gemoeten. Sprake is van een cirkelredenering rond medehuur en een onjuiste sprong van de huurrechtelijke vorm hiervan naar de AOW-regels hieromtrent. Medehuurderschap is een huurrechtelijke kwalificatie en geen AOW-criterium. De Svb motiveert niet waarom dit huurrechtelijke gegeven, los van de feitelijke invulling van het dagelijks leven, zou bewijzen dat eiser en [persoon] voor elkaar zorgen in de zin van de AOW. Verder heeft de Svb een huisbezoek geïnitieerd dat niet tot een volledige opname van de woning/inrichting heeft geleid. Dit klemt des te meer omdat de Svb vervolgens zwaar leunt op geldstromen en medehuur, terwijl het meest directe middel om de feitelijke inrichting en het feitelijk gebruik te beoordelen niet is benut tot een toetsbare vaststelling. Eiser voert verder aan dat de Svb onvoldoende motiveert waarom het oordeel is omgeslagen, nu de Svb eerder (in 2022) de situatie nog kwalificeerde als kostganger/onderhuur zonder gezamenlijke huishouding. Tot slot voert eiser aan dat de Svb niet kenbaar heeft afgewogen of, en zo ja waarom, herziening met terugwerkende kracht proportioneel is. De herziening werkt terug tot juli 2023, terwijl het primaire besluit pas op 24 april 2025 is genomen. Daarmee wordt eiser geconfronteerd met ingrijpende gevolgen.

Overwegingen

4 Een besluit tot herziening van een uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten moet vergaren. Dat betekent dat de Svb aannemelijk moet maken dat aan de voorwaarden voor herziening van het AOW-pensioen is voldaan.

4.1 Voor de toepassing van de AOW wordt als gehuwd aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Daarvan is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (het huisvestingscriterium) en zij voor elkaar zorgen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (het zorgcriterium). Wanneer sprake is van wederzijdse zorg is het mogelijk dat alsnog geen sprake is van een gezamenlijk huishouden als in het specifieke geval de relatie slechts als een commerciële relatie kan worden geduid.

4.2 Niet in geschil is dat aan het huisvestingscriterium is voldaan.

4.3 Of voldaan is aan het zorgcriterium, beoordeelt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen voor elkaar zorgen. Een afweging van alle relevante feiten en omstandigheden zal moeten uitmaken of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4 Wanneer sprake is van wederzijdse zorg, is het mogelijk dat alsnog geen sprake is van een gezamenlijk huishouden als in het specifieke geval de relatie slechts als een commerciële relatie kan worden geduid. Van een commerciële relatie is sprake als twee personen zowel ten aanzien van hun huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven. Er is dan geen verstrengeling van huisvesting en zorg omdat daarover zakelijke afspraken zijn gemaakt en voor de prestaties die worden geleverd prijzen zijn afgesproken die in het commerciële verkeer gebruikelijk zijn. Een commerciële relatie moet met schriftelijke bewijsstukken worden aangetoond. In ieder geval zijn vereisten dat een schriftelijke overeenkomst is opgemaakt waarin de prestaties over en weer zijn omschreven en dat controleerbare betaalgegevens kunnen worden overgelegd.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat sprake is van wederzijdse zorg. Daartoe overweegt zij als volgt. Blijkens het handhavingsrapport maakt eiser meermaals (grote) bedragen over naar de bankrekening van [persoon] . Het gaat hierbij bijvoorbeeld om € 2.750, met als beschrijving “ [persoon] Holiday”. Ook heeft eiser € 10.500 naar de bankrekening van [persoon] overgemaakt, met als beschrijving “uitbetaling schade”. Op de zitting heeft eiser verklaard dat dit bedrag zag op schade die hij had gereden aan de camper van [persoon] , toen hij deze geleend had. Andersom maakt [persoon] bedragen over die niet alleen te relateren zijn aan de huur, bijvoorbeeld € 50 voor “etentje”, € 258,99 (met als beschrijving “xoxoxo”) en € 100 voor “boodschappen”. De rechtbank acht van belang dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Dit maakt zijn verklaringen ongeloofwaardig. Uit de ingevulde en door eiser ondertekende “Checklist gezamenlijke huishouding” van 3 maart 2024 blijkt dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij geen lening heeft afgesloten met een of meer van de bewoners. Ook in de “Checklist gezamenlijke huishouding” van 14 augustus 2024, die eiser heeft geweigerd te ondertekenen en die ingevuld is door de medewerkers van de Svb op basis van de verklaringen van tijdens het gesprek van dezelfde datum, is hetzelfde vermeld. Dit terwijl eiser zich later op het standpunt heeft gesteld dat de bankoverschrijvingen naar [persoon] te kwalificeren zijn als leningen. Daarnaast verklaarde eiser in eerste instantie dat hij [persoon] heeft leren kennen via de sociale dienst van de gemeente Amsterdam. Later is gebleken is dat [persoon] al in 2011 op een adres van eiser in [plaats] ingeschreven stond. Hierover heeft eiser in de “Checklist gezamenlijke huishouding” ingevuld dat hij niet wist of hij haar toen al kende. Op enig moment is eiser naar de [adres 1] verhuisd. [persoon] is eveneens op dat adres gaan inwonen. Laatstelijk zijn eiser en [persoon] gezamenlijk naar de [adres 2] verhuisd. Blijkens een verklaring van Eigen Haard staat [persoon] sinds de ingangsdatum als medehuurder op het huurcontract. Bij Eigen Haard staan eiser en [persoon] bekend als een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Zij stonden samen als woningzoekende ingeschreven in Woningnet en hebben gezamenlijk gereageerd op de huidige woning. Ter zitting heeft eiser ook verklaard dat dit voor [persoon] gunstig was, omdat zij daarmee ook huurrechten heeft. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaring van Eigen Haard te twijfelen.

4.6 Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat de Svb onvoldoende gebruik heeft gemaakt van het huisbezoek als onderzoeksmiddel, merkt de rechtbank op dat medewerkers van de Svb het huisbezoek vroegtijdig hebben stopgezet omdat eiser niet volledig heeft willen meewerken. De toezichthouders mochten niet verder komen dan eisers woonkamer en mochten nergens plaatsnemen omdat zij niet welkom waren in de woning. Vervolgens hebben de toezichthouders de woning van eiser verlaten en eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. Daarbij heeft de Svb eiser overigens meerdere kansen geboden, omdat eiser meerdere keren niet is komen opdagen.

4.7 De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eiser dat sprake is van een commerciële relatie. Er is geen zakelijke onderhuurrelatie tussen eiser en [persoon] , alleen al omdat uit de verklaring van Eigen Haard blijkt dat [persoon] niet onderhuurder, maar medehoofdhuurder van de woning is. Verder blijkt uit het dossier dat de huur niet consistent wordt betaald. Zo is in november 2022, december 2022, februari 2023 t/m mei 2023, september 2023, december 2023, januari 2024 en maart 2024 t/m mei 2024 geen huur overgemaakt. Zowel tijdens de bezwaarfase als tijdens de zitting heeft eiser hier geen duidelijke verklaring voor gegeven. Ook was op de zitting sprake van een tegenstelling tussen de verklaringen van eiser en [persoon] hierover: volgens eiser werd de huur gecompenseerd in andere overboekingen, terwijl [persoon] verklaarde dat achterstallige huur cash betaald werd. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat de huur voor deze maanden is betaald. Verder is sprake van een relatief lage huurprijs, die niet geïndexeerd wordt. Tot slot volgt uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat de mate van verbondenheid en verantwoordelijkheid voor elkaar verder gaat dan in een zakelijke relatie gebruikelijk is.

4.8 Voor wat betreft de grond van eiser dat de Svb onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de Svb nu een ander standpunt inneemt over de huishouding dan in 2022, overweegt de rechtbank dat de Svb voor de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding aangesloten is bij de datum van de verhuizing naar de [adres 2] . De rechtbank kan de Svb hierin volgen, mede ook omdat eiser en [persoon] beide vanaf de begindatum als huurder op het huurcontract staan.

Conclusie en gevolgen

5 De Svb heeft het AOW-pensioen van eiser terecht herzien naar de norm voor een gehuwde. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Aangehaalde uitspraken