Rb. Amsterdam 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8307
De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor bevoegd is om bij het verlenen van een persoonsgebonden budget (pgb) de doelmatigheid van de Wlz-zorg te beoordelen waardoor ook het pgb lager kan worden vastgesteld dan het basisbedrag zoals is genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) en de daarbij behorende Bijlage H. Het zorgkantoor heeft voor 2024 en 2025 het “Pgb op maat” (zoals is bedoeld in artikel 5.8a van de Rlz) mogen vaststellen. Daarbij is echter onvoldoende rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu het “bewust keuze gesprek” tussen partijen onvoldoende is gegaan over de dagelijkse zorgbehoefte van eiser. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl