Rb. Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5480

Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door – vóór het faillissement van naam bedrijf BV – buitensporig middelen te gebruiken en daarnaast geldbedragen en een auto aan de boedel te onttrekken. Ook heeft zij nagelaten om een volledige administratie te voeren en te voldoen aan de op zijn als bestuurder van een failliete rechtspersoon rustende inlichtingenplicht. Op grond van artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht geldt dat onder bestuurder van een rechtspersoon ook moet worden begrepen degene die feitelijk als bestuurder van een rechtspersoon optreedt. De rechtbank stelt vast dat daarvan in het geval van verdachte sprake van is. De rechtbank constateert dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank acht de oplegging van een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen