Rb. Amsterdam 9 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2539
Verschoningsverzoek afgewezen. Het feit dat het (ook voor de rechter) onmogelijk is zijn werk volledig te scheiden van zijn persoonlijke achtergrond, opvattingen en ervaringen, vorm geen uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in r.o. 3.3. De rechter verschilt daarin immers niet van andere rechters. De Wrakingskamer is van oordeel dat de door de rechter genoemde argumenten onvoldoende uitzonderlijk zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl