Rb. Amsterdam 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10195
verzoek tot opheffing althans wijziging van verbintenissen uit een legaat ex art. 4:123 BW. Dat het nog niet tot afgifte van het legaat en betaling van inbreng is gekomen is niet alleen of in overwegende mate aan de gedragingen van één van partijen te wijten. Het verzoek wordt afgewezen. Zie ook: C/13/775880 / HA ZA 25-1506.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/779747 / HA RK 25-430
Beschikking van 15 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. C. van Baalen-van IJzendoorn,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] (Tsjechië),
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. A.C. Kool.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker] , met producties 1 t/m 69,
- de tussenbeschikking van 9 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift van [verweerder] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waar gelijktijdig de mondelinge behandeling van de zaak met het zaaknummer C/13/775880 / HA ZA 25-1506 heeft plaatsgevonden.
1.2 Ten slotte is beschikking bepaald.
2 De feiten
2.1 Op is [overlijdensdag] 2020 de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Hij was op dat moment onder huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere vorm van gemeenschap is uitgesloten, getrouwd met mevrouw [echtgenote] (hierna: de echtgenote).
2.2 Bij testament van 15 september 2015 (hierna: het testament) heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en heeft hij zijn twee kinderen, [verweerder] en [verzoeker] , tot zijn enig erfgenamen benoemd. [verweerder] en [verzoeker] hebben de nalatenschap beiden zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap van erflater behoorde onder meer een woning gelegen aan [adres 1] (hierna: de woning), een garage gelegen aan [adres 2] (hierna: de garage), en een aandeel in een perceel grond gelegen aan [adres 3] (hierna: de kavel).
2.3 Verder heeft erflater in het testament aan [verweerder] , [verzoeker] en aan de echtgenote een legaat toegekend. Ten aanzien van de legaten van [verweerder] en [verzoeker] luidt het testament, voor zover hier relevant, als volgt:
“(…)
3. Legaat zoon [verweerder]
Ik legateer aan mijn zoon [verweerder] mijn banktegoeden inclusief effecten, met uitzondering van tegoeden op en/of rekeningen, zulks na voldoening van :
a. alle schulden drukkende op mijn nalatenschap conform artikel 4.7 Burgerlijk Wetboek, en
b. het sub 2.d. gemelde geldlegaat (rechtbank: een bedrag van € 550.000,00 aan de echtgenote);
ik bepaal, dat mijn zoon [verweerder] het door hem ontvangen legaat dient in te brengen in mijn nalatenschap, zoals hierna bepaald.
4. Legaat [verzoeker]
Ik legateer aan mijn zoon [verzoeker] mijn huis met tuin en ondergrond gelegen te [adres 1], kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 1], mijn garage gelegen te [plaats] kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 2] zomede mijn aandeel in het perceel grond grenzend aan de tuin van [adres 4] en een geheel uitmakend met die tuin, kadastraal bekend [gemeente] sectie [kadastrale aanduiding 3].
Ik bepaal dat mijn zoon [verzoeker] het door hem ontvangen legaat dient in te brengen in mijn nalatenschap zoals hierna bepaald, en, dat hij de voorwaarde met betrekking tot de voldoening van de inbrengsom, zoals hierna onder 7 omschreven en de verplichting voortvloeiende uit de meerwaardeclausule, zoals hierna onder 8 omschreven, accepteert. De waarde van het gelegateerde registergoed dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gemis aan overeenstemming daarbij door een taxateur aan te wijzen door de kantonrechter te Middelburg. (…)
(…)
7. Verrekening inbrengverplichtingen
Uitgaande van mijn actuele vermogenssituatie zal de inbrengwaarde van het legaat 4 hoger zijn dan dat van legaat 3.
Mijn zoon [verweerder] zal de banktegoeden kunnen gebruiken voor de betaling van het door hem verschuldigde successierecht.
Mijn zoon [verzoeker] zal het door hem verschuldigde successierecht uit eigen vermogen moeten voldoen en/of daarvoor een (hypothecaire) geldlening kunnen nemen met het hem gelegateerde als onderpand (hypotheek).
Het door mijn zoon [verzoeker] wegens een hogere inbrengverplichting schuldig gebleven bedrag aan zijn mede-erfgenaam [verweerder] is opeisbaar vijf jaar na mijn overlijden.
Rente:
Over het door mijn zoon [verzoeker] schuldig gebleven bedrag is hij aan mijn zoon [verweerder] een rente verschuldigd van vier procent (4%) per jaar, gerekend vanaf de dag van mijn overlijden tot aan de dag van voldoening van de hoofdsom of deel daarvan.
De rente is opeisbaar tegelijk met de hoofdsom of het gedeelte daarvan zoals hiervoor aangegeven, derhalve na vijf jaar na mijn overlijden.
Het door mijn zoon [verzoeker] aan hoofdsom en rente verschuldigde is in afwijking van het vorenstaande direct en zonder ingebrekestelling opeisbaar bij vervreemding van gemeld registergoed of gedeelte daarvan (…)
Zekerheidsstelling:
Ik bepaal dat mijn zoon [verzoeker] , tot zekerheid van de hiervoor genoemde verplichtingen en de verplichtingen uit de hierna onder 8 te noemen meerwaarde clausule ten behoeve van mijn zoon [verweerder] een recht van hypotheek vestigt op het hiervoor genoemde registergoed, een en ander ter beoordeling aan de executeur. (…)
2.4 [verweerder] en [verzoeker] hebben beiden het legaat dat erflater bij testament aan hen heeft toegekend aanvaard.
2.5 Op 9 november 2020 heeft [verzoeker] per e-mail onder meer het volgende aan de heer [naam] (destijds de executeur in de nalatenschap van erflater) laten weten:
“(…)
[verweerder] & ik hebben dit weekend over alles overeenstemming bereikt.
(…)
Verder heb ik de overeen gekomen waarderingen van het vastgoed en de eend op papier gezet. (…)”
2.6 Bij zijn e-mail van 9 november 2020 heeft [verzoeker] een bestand gevoegd. Daarin staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“ overeen gekomen boedel waardering
(…)
Huis € 987.500,00
Kavel € 100.000,00
Garage € 42.500,00
(…)”
2.7 In de periode na het overlijden van erflater hebben partijen geprobeerd overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Dat is tot op heden niet gelukt.
3 Het verzoek en het verweer
3.1 [verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de renteverplichting van [verzoeker] zoals opgenomen in het testament op te heffen, althans te wijzigen, in die zin dat de renteverplichting wordt verlaagd naar een percentage van 1% en/of wordt berekend over een kortere periode;
de bepaling in het testament die betrekking heeft op de waardering van de aan [verzoeker] gelegateerde woning te wijzigen, in die zin dat de woning in het kader van de inbrengverplichting van [verzoeker] € 903.143,00 waard is.
3.2 [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Inleidende opmerking
4.1 Omdat deze verzoekschriftprocedure ziet op dezelfde feiten als die naar voren zijn gebracht in het kader van de dagvaardingsprocedure met het zaaknummer C/13/775880 / HA ZA 25-1506, zal de beoordeling van dit verzoek op verschillende punten overeenkomen met de beoordeling in de dagvaardingsprocedure.
De verhouding tussen partijen
4.2 Vaststaat dat partijen als erfgenamen deelgenoten zijn in de onverdeelde nalatenschap van erflater. Daarnaast zijn partijen legatarissen, wat maakt dat zij beiden schuldeiser zijn van de nalatenschap, in die zin dat zij op grond van artikel 4:117 lid 1 BW een vorderingsrecht hebben tot afgifte van het legaat. Nu aan [verweerder] en [verzoeker] een legaat tegen inbreng van de waarde daarvan is toegekend, zijn zij tegelijkertijd ook schuldenaar van de nalatenschap.
Inbreng en rente
4.3 Partijen zijn het erover eens dat uit het testament volgt dat [verzoeker] verplicht is de waarde van de aan hem gelegateerde zaken in te brengen in de nalatenschap, dat partijen die waarde in gezamenlijk overleg moeten vaststellen en ook, althans dat wordt niet door [verzoeker] bestreden, dat hij op grond van punt 7 van het testament over die overeengekomen waarde van het gehele legaat rente aan [verweerder] verschuldigd is van 4% per jaar, gerekend vanaf de dag van het overlijden van erflater. Evenmin staat ter discussie dat partijen op enig moment afspraken hebben gemaakt over de waarde van de aan [verzoeker] gelegateerde zaken, waarbij zij de waarde van de woning op € 987.500,00 hebben begroot, de waarde van de kavel op € 100.000,00 en de waarde van de garage op € 42.500,00, zodat de totale waarde van het legaat van [verzoeker] neerkomt op € 1.130.000,00.
Het verzoek ex art. 4:123 BW
4.4 [verzoeker] heeft om opheffing, althans wijziging van het legaat verzocht dat hem in het testament is toegekend. Op grond van artikel 4:123 BW kan de rechter op verzoek van de legataris de verbintenissen uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten. Daarbij moet de rechter de nodige terughoudendheid betrachten. In de aard van de in artikel 4:123 BW geformuleerde bevoegdheid ligt immers besloten dat zij slechts in uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen worden toegepast. Het is aan degene die een wijziging van het legaat verlangt (hier: [verzoeker] ) om de omstandigheden te stellen en bij betwisting ook te bewijzen, op grond waarvan de legataris ongewijzigde instandhouding van het legaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten.
4.5 [verzoeker] heeft in dit kader aangevoerd dat [verweerder] de afgifte van het legaat stelselmatig en op oneigenlijke wijze heeft gefrustreerd, waardoor hij het voor [verzoeker] onmogelijk heeft gemaakt de door hem verschuldigde inbrengsom te financieren. Hierdoor heeft [verzoeker] de woning moeten verkopen. Dat dit vervolgens erg lang heeft geduurd en de verkoopopbrengst – te weten: € 903.143,00 – tegenviel door de negatieve waardeontwikkeling die in de tussentijd optrad, mag gezien de houding van [verweerder] niet enkel voor rekening en risico van [verzoeker] komen. Deze omstandigheden hebben zich na het overlijden van erflater voorgedaan en zijn van dien aard dat zij rechtvaardigen dat de renteverplichting in het testament wordt opgeheven althans wordt gewijzigd naar een percentage van 1% en/of wordt berekend over een kortere periode. Datzelfde geldt voor de bepaling in het testament ten aanzien van de inbrengverplichting van [verzoeker] , die zo moet worden gewijzigd dat de inbrengverplichting ten aanzien van de woning wordt bepaald op € 903.143,00, aldus [verzoeker] .
4.6 [verweerder] heeft tegen de stellingen van [verzoeker] aangevoerd dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat van onvoorziene omstandigheden sprake is. Voor zover dat wel het geval zou zijn, voert [verweerder] aan dat het intreden van die omstandigheden aan [verzoeker] zelf te wijten is en dat deze omstandigheden daarom voor zijn rekening en risico moeten komen. Verder stelt [verweerder] zich op het standpunt dat hetgeen [verzoeker] verzoekt niet overeenkomt met de in het testament verwoorde bedoeling van erflater, zodat het verzoek ook om die reden moet worden afgewezen, aldus [verweerder] .
4.7 De rechtbank is het met [verweerder] eens dat de omstandigheden die [verzoeker] heeft aangevoerd onvoldoende zijn om het legaat op te heffen dan wel te wijzigen op grond van artikel 4:123 BW. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat de levering van het legaat niet heeft plaatsgevonden en dat [verzoeker] tot op heden niet aan zijn inbrengverplichting heeft voldaan. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] heeft betoogd, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet alleen aan [verweerder] te wijten. Uit de uitgebreide correspondentie die partijen in het geding hebben gebracht volgt namelijk dat in de periode na het overlijden van erflater steeds meningsverschillen tussen partijen ontstonden en dat partijen meerdere malen niet of pas na verloop van tijd op elkaars berichten reageerden, waardoor als gevolg van die voortdurende debatten het tot op heden niet tot afgifte van het legaat en betaling van inbreng is gekomen zonder dat gezegd kan worden dat dit alleen of in overwegende mate aan de gedragingen van één van hen te wijten is, meer in het bijzonder, aan apert onredelijke standpunten of gedragingen van [verweerder] . Naar het oordeel van de rechtbank is daarin geen reden gelegen om tot opheffing dan wel wijziging van het legaat over te gaan. Dat het legaat nog niet aan [verzoeker] is afgegeven, komt daarmee voor zijn eigen rekening en risico en wordt eveneens niet aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 4:123 BW. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van [verzoeker] zal afwijzen.
Proceskosten
4.8 Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van een van hen.
De beslissing
De rechtbank
4.9 wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.