Rb. Amsterdam 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10182

Vervolgings-EAB uit Griekenland. Tussenuitspraak. Effectieve rechterlijke bescherming: de rechtbank heropent en schorst het onderzoek om partijen in de gelegenheid te stellen de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2026 (met parketnummer 13-203132-26) te betrekken bij hun standpunt over de effectieve rechtsbescherming. Artikel 11 OLW: algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling aangenomen voor gedetineerden in de detentie-instelling Korydallos I. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de hand van de door de rechtbank geformuleerde vragen na te gaan of voor de opgeëiste persoon het aangenomen algemene gevaar door een individuele detentiegarantie kan worden weggenomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-087934-25
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 25 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 januari 2025 door the Public Prosecutor's Office of the Court of Appeal of Athens, Griekenland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de [detentieplaats]
uit anderen hoofde daar gedetineerd,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

Zitting 21 mei 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 mei 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M. Timorason, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

Tussenuitspraak 4 juni 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder punt 4 en punt 7 in die uitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording voor te leggen. Het betreft vragen omtrent het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming bij het uitvaardigen van het EAB én vragen omtrent de detentieomstandigheden in Griekse gevangenissen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting 26 juni 2025

De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M. Timorason. Op de zitting is de aanvullende informatie omtrent het vereiste van effectieve rechtelijke bescherming bij uitvaardiging van het EAB besproken, te weten de e-mail van 10 juni 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hierin staat onder meer:

Assessment of proportionality :

The issuance of a European Arrest Warrant is not subject to judicial review. The Public Prosecutor of Appeals, who according to the Constitution is a judicial officer, is responsible for issuing it and has territorial jurisdiction over: a) the trial of the criminal act for which the arrest and surrender of the requested person is requested, provided that it is punishable under Greek criminal law by a custodial sentence or a security measure, the maximum of which is at least twelve months, or b) the execution of the sentence or security measure, which deprives the person of liberty for a period of at least four months (articles 4 and 5 of Law 3251/2004).

Ook is de aanvullende informatie van 16 en 24 juni 2025 over de detentieomstandigheden in de Griekse gevangenis in Korydallos besproken en hebben de advocaat van de opgeëiste persoon en de officier van justitie hier een standpunt over ingenomen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Het onderzoek ter zitting is geschorst tot 7 augustus 2025 om de officier van justitie de gelegenheid te geven nogmaals de (reeds eerder gestelde) vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de gang van zaken bij het uitvaardigen van een EAB in Griekenland om vast te kunnen stellen of aan de vereiste effectieve rechterlijke bescherming is voldaan.

Zitting 7 augustus 2025

De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 7 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M. Timorason en mr. J.J.M. Graat, beiden advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering wederom met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Tussenuitspraak van 21 augustus 2025

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) ten aanzien van de effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te stellen prejudiciële vragen.

De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 - met toestemming van partijen - het onderzoek enkelvoudig gesloten en bepaald dat op 13 november 2025 uitspraak wordt gedaan.

Tussenuitspraak van 13 november 2025

Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het HvJ EU.

De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting van 1 oktober 2026

De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling - voortgezet op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.M. Hof en mr. N.M. Delsing, beiden advocaat in Amsterdam.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank echter niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Wel bestaat door het verstrijken van de beslistermijn geen wettelijke grondslag meer voor gevangenhouding op grond van de OLW.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak van 4 juni 2025

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 5) en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie: de effectieve rechterlijke bescherming

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 4 juni 2025, onder punt 3 van de tussenuitspraak van 21 augustus 2025 en onder punt 2 van de tussenuitspraak van 13 november 2025. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

In haar tussenuitspraak van 13 november 2025 heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ EU voorgelegd:

Moet artikel 8, eerste lid, onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd, dat niet is voldaan aan de vereisten die inherent zijn aan de effectieve rechterlijke bescherming die een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, moet genieten, indien:

- het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een openbaar aanklager - die kan worden aangemerkt als "uitvaardigende rechterlijke autoriteit" in de zin van artikel 6, eerste lid, van dat kaderbesluit maar -, wiens beslissing tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel niet vatbaar is voor rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon, terwijl

- dat Europees aanhoudingsbevel berust op een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een rechter die bij de uitvaardiging van dat bevel niet de voorwaarden voor uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid daarvan heeft getoetst en wiens beslissing niet vatbaar is voor een dergelijke rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon?

De rechtbank heeft in een andere zaak (met parketnummer 13-248279-25) een vergelijkbare prejudiciële vraag aan het HvJ EU gesteld over - kort gezegd - de mogelijkheid van effectieve rechtsbescherming na de overlevering bij Griekse vervolgings-EAB’s die zijn uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie. In de beschikking van 2 juli 2026 inzake Blerens heeft het HvJ EU antwoord gegeven op deze prejudiciële vraag. Het HvJ EU oordeelt hierin dat, ook als de voorwaarden waaronder een EAB dat door een rechterlijke autoriteit niet zijnde een rechter, is uitgevaardigd pas ná overlevering van een opgeëiste persoon aan de uitvaardigende lidstaat aan een rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering een beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst.

Vervolgens heeft de rechtbank in haar uitspraak van 8 september 2026, onder meer onder verwijzing naar de uitspraak van het HvJ EU in de zaak MM, overwogen dat niet is vereist dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid bestaat die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter, maar dat voor een opgeëiste persoon wel de mogelijkheid moet bestaan om de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, door een rechter te laten toetsen. Op basis van de in die zaak op dat moment beschikbare informatie, is de rechtbank in voormelde uitspraak van 8 september 2026 tot de conclusie gekomen dat een dergelijke mogelijkheid van toetsing van de voorwaarden van het EAB in Griekenland niet bestaat en er dus geen sprake is van effectieve rechtsbescherming in het geval dat een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een Griekse officier van justitie.

Naar aanleiding van de beschikking in de zaak Blerens heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 31 juli 2026 in de zaak van de opgeëiste persoon de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

1 After the requested person has been surrendered to Greece, does Greek law and/or procedure provide for a judicial remedy to review the conditions under which a European Arrest Warrant has been issued by the issuing (prosecutorial) authority, in particular its proportionality? (ECLI:EU:C:2021:4, §72). At which procedural moments, after the actual surrender, is it possible to challenge before a judge the validity of the EAW issued by the prosecutor?

2 While hearing an application challenging the lawfulness of the continued pre-trial detention of a person surrendered pursuant to a European Arrest Warrant, is the Greek court competent, Greek law and/or procedure, to review the validity of that European Arrest Warrant issued by the prosecutor? (ECLI:EU:C:2021:4, §73).

3 After the actual surrender, is it possible, under Greek law and/or procedure, that a successful challenge before the judge of the necessity of pre-trial detention, will mean that the EAW issued by the prosecutor will be annulled?

Bij brief van 5 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:

(a) Following the surrender of the person, no legal remedy is provided against the validity and legality of the European Arrest Warrant, including the review of proportionality by the issuing authority. (b), (c) Within the framework of the judicial proceedings following the surrender of the person, with a view to the execution or non-execution of the European Arrest Warrant, arguments or objections related to its issuance and execution may be raised.

Het IRC heeft vervolgens op 16 september 2026 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

In light of these foregoing considerations and in light of the judgement by the Court of Justice of 13 January 2021 in C 414/20 PPU (MM) (ECLI:EU:C:2021:4, in particular §72 and §73), we would highly appreciate it if you could please inform us whether it is possible to have the conditions of issuance of the EAW by a public prosecutor, in particular the proportionality, reviewed by a judge at any moment during the criminal proceedings after the surrender?

Or could you inform us on how the Greek judicial system can give effect to the following consideration of the Court of Justice in the judgment of 13 January 2021 in C 414/20 PPU (MM) (ECLI:EU:C:2021:4) §72:

“Accordingly, where the procedural law of the issuing Member State does not provide for a separate legal remedy allowing a court to review the conditions under which the European arrest warrant was issued and its proportionality, whether before, after, or at the same time as its adoption, Framework Decision 2002/584, read in the light of the right to effective judicial protection enshrined in Article 47 of the Charter, must be interpreted as meaning that a court which is called upon to give a ruling at a stage in the criminal proceedings which follows the surrender of the requested person must be able to carry out an indirect review of the conditions under which that warrant was issued where the validity of that warrant has been challenged before it.”

Bij brief van 18 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:

In response to the query (…) we inform you that after the surrender of the requested person to our country, the latter will appear before the Investigating Judge of the 12th Investigative Department of the Athens Court of First Instance (who issued the number 28/2024 Arrest Warrant against [opgeëiste persoon] and which warrant was converted into a European one by the Prosecutor of the Court of Appeal in Athens) and who is a judge serving at the Court of First Instance of Athens. The latter will indirectly check the conditions of the European Arrest Warrant after summoning [opgeëiste persoon] to provide explanations against the charges brought before him, after which (explanations), the Judge will act in accordance with article 288 of the Greek Code of Criminal Procedure (CCP), namely he/she will either release him, or issue an order imposing restrictive orders, either home surveillance with electronic device, or a temporary imprisonment. Against these orders, the defendant may appeal within 10 days to the competent judicial council composed of judges (see article 290 CCP), or request the lifting of the temporary detention or restrictive orders, their modification, etc. by the aforementioned investigating Judge.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - onder verwijzing naar de eerder vermelde uitspraak van 8 september 2026 van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 augustus 2026 en 18 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering voor de rechter-commissaris zal moeten verschijnen, waarbij deze de voorwaarden van het EAB indirect zal toetsen. Dit antwoord past niet bij de eerder verstrekte antwoorden waarin is vermeld dat de wet hiervoor geen mogelijkheid biedt bij het gegeven dat een EAB-procedure is voltooid na de feitelijke overlevering. Er is geen sprake van een toetsingsmoment dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. In de eerste plaats betekent een ‘indirecte’ toets per definitie dat de rechter-commissaris iets anders toetst. Dat is ook de situatie die de rechtbank in haar uitspraak van 8 september 2026 onvoldoende achtte; dat een procedure over de nationale titel tot invrijheidsstelling kan leiden, zegt niet dat daarin ook de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB worden getoetst. In de tweede plaats beslist de rechter-commissaris op grond van artikel 288 van het Griekse wetboek van strafvordering over welke maatregel op dat moment nodig is om de Griekse strafprocedure te waarborgen. Dat is geen oordeel over de vraag of de Griekse officier van justitie destijds een EAB mocht uitvaardigen en of dat evenredig was. In haar uitspraak van 8 september 2026 heeft de rechtbank overwogen dat de enkele mogelijkheid van opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis niet kan worden gelijkgesteld met een toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB. In de derde plaats wordt door de Griekse autoriteiten over de evenredigheid gezwegen, terwijl dat in de zaken Blerens en MM steeds als kern van de vereiste toets wordt genoemd. In de vierde plaats is door de uitvaardigende justitiële autoriteit geen antwoord gegeven op de vraag of de rechter-commissaris in de procedure over de voortzetting van de voorlopige hechtenis de bevoegdheid heeft om de geldigheid van het EAB te beoordelen, en of een geslaagde betwisting tot vernietiging van het EAB kan leiden. Dit heeft de rechtbank ook betrokken bij haar oordeel in de uitspraak van 8 september 2026. In de laatste plaats sluit het Griekse recht de toetsing van het uitvaardigen van het EAB zelf uit. In de informatie van 3 augustus 2026, zoals opgenomen in de uitspraak van 8 september 2026 van deze rechtbank, wordt door het Griekse openbaar ministerie gezegd dat er naar Grieks recht na overlevering geen rechtsmiddel meer bestaat tegen het EAB. Het EAB is met de feitelijke overlevering volledig ten uitvoer gelegd. De vrijheidsbeneming berust vanaf dat moment uitsluitend op de nationale titel. Dat is het moment waarop de opgeëiste persoon voor de rechter-commissaris zal verschijnen. Die rechter-commissaris beoordeelt de nationale titel en niet het EAB. De mededeling dat de rechter-commissaris het EAB ‘indirect toetst’, is met dit standpunt van het Griekse openbaar ministerie niet te verenigen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank en de uitspraak van het HvJ EU in de zaak MM - zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het vereiste van de effectieve rechtsbescherming. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 september 2026 volgt dat er in Griekenland na overlevering de mogelijkheid bestaat om bezwaren tegen het uitvaardigen van het EAB voor te leggen aan een rechter wanneer deze zich buigt over een beroep of rechtsvordering en dat deze rechter dus ook die bezwaren noodzakelijkerwijs zal onderzoeken. Daarmee is wel degelijk voldaan aan de mogelijkheid om a posteriori (na overlevering) de voorwaarden van een EAB te laten toetsen, niet via een separate beroepsmogelijkheid - dat is ook niet noodzakelijk -, maar wel in het kader van een andere lopende procedure. Dat is mogelijk op het moment dat de opgeëiste persoon zijn voorlopige hechtenis aanvecht. De officier van justitie heeft tijdens de zitting van 1 oktober 2026 gewezen op het feit dat die middag een uitspraak verwacht wordt in een andere zaak waarin deze problematiek speelt en waarin het openbaar ministerie hetzelfde standpunt heeft ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

Op 1 oktober 2026 heeft de rechtbank, nadat de behandeling van de zaak van de opgeëiste persoon had plaatsgevonden en het onderzoek was gesloten, uitspraak gedaan in de zaak met parketnummer 13-203132-26. In deze zaak heeft the Public Prosecution Office of the Court of Appeal of Thessaloniki op 14 september 2026 de volgende informatie verstrekt:

Volgens het Griekse rechtssysteem, zoals we u in ons vorige antwoord al hebben meegedeeld, bestaat er geen procedure waarmee de gezochte persoon het Europees arrestatiebevel rechtstreeks kan aanvechten, noch vóór noch na zijn uitlevering. Er is echter wel een netwerk van procedurele bescherming voor de gezochte persoon – de verdachte – in de vorm van wettelijke middelen en rechtsmiddelen waarmee hij de nationale vervolging kan aanvechten, zowel vóór als na zijn uitlevering. Indien een van deze bezwaren wordt geaccepteerd, wordt hij vrijgelaten. Bovendien beslist de rechtbank of het gerechtshof dat zich buigt over het beroep of de rechtsvordering die de gezochte persoon tegen het nationale openbaar ministerie instelt, tegelijkertijd indirect over de inhoud van het Europees Arrestbevel. Indien de gezochte persoon in het beroep of de rechtsvordering die hij tegen het nationale openbaar ministerie instelt, de geldigheid van het Europees Arrestbevel expliciet betwist door middel van bezwaren die de ongeldigheid van de vooronderzoeksprocedure of de uitvaardiging van het Europees Arrestbevel aantonen, dan zal het bevoegde gerechtshof dat zich buigt over het beroep of de rechtsvordering noodzakelijkerwijs deze bezwaren onderzoeken en aldus indirect de omstandigheden toetsen waaronder het Europees Arrestbevel is uitgevaardigd.

In het licht van de verstrekte informatie heeft de rechtbank in die zaak geoordeeld dat er in Griekenland een mogelijkheid bestaat om na overlevering de voorwaarden van het uitvaardigen van het EAB te laten toetsen door een rechterlijke instantie. Dat deze toetsing plaatsvindt in het kader van een beroep of de rechtsvordering die de gezochte persoon tegen het nationale openbaar ministerie instelt (naar de rechtbank begrijpt: een rechtsmiddel of rechtsvordering tegen de nationale detentietitel), doet aan de mogelijkheid niet af. Uit de jurisprudentie van het HvJ EU vloeit immers niet voort dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid bij een rechter zou moeten bestaan die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter. De rechtbank heeft geconcludeerd dat, gelet op de nieuwe aanvullende informatie van 14 september 2026, in Griekenland voldaan is aan het vereiste van effectieve rechtsbescherming. In die zaak is het openbaar ministerie vervolgens ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 2 OLW niet aan overlevering in de weg staat.

Vast staat dat voornoemde uitspraak van 1 oktober 2026 nog niet was uitgesproken, en dus ook nog niet was gepubliceerd, ten tijde van de behandeling van de zaak van de opgeëiste persoon. Daarom was deze uitspraak, waarin de rechtbank op basis van de op dat moment aanwezige informatie anders oordeelt dan in haar uitspraak van 8 september 2026, toen nog niet bekend bij partijen. Uit het oogpunt van de goede procesorde zal de rechtbank daarom het onderzoek heropenen en schorsen om partijen in de gelegenheid te stellen deze uitspraak te betrekken bij hun standpunt over de effectieve rechtsbescherming.

5 Artikel 11 OLW: Griekse detentieomstandigheden

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 4 juni 2025 over de detentieomstandigheden in de gevangenis Korydallos I. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 4 juni 2025 heeft het IRC op 6 juni 2025 de door de rechtbank geformuleerde vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Op 16 juni 2025 heeft the Head of the Directorate of the Penitentiary Establishment of Korydallos I de volgende aanvullende informatie verstrekt:

1 Prison Capacity & Conditions

 Korydallos Prison I has an official capacity of 1,222 inmates. As of 13/06/2025, the morning count recorded 1911 inmates, resulting in an overcrowding rate of 156.4%.

 Cell Dimensions:

o Wings A, B, C, D: Each cell measures 9.5 m2, including the sink and toilet area (~1 m2, separated by a partition), leaving a “net” area of 8.5 m2.

o Wing E: Detailed dimensions per cel/floor are provided in the attached table (e.g., ground floor cells range from 23.4 m2 to 52.2 m2, excluding WC).

o Wing F/G: Cells include fully enclosed toilets/showers. Dimensions vary (e.g., 32.4 m2 to 58.2 m2, excluding WC).

o Basement Cells (Wing F): Smaller cells (5.6 m2 excluding WC).

 Facilities: All cells have adequate natural/artificial lighting (large fluorescent lamps, controlled internally), beds, plastic tables/chairs, shelves, and permit personal TVs (with headphones), radios, MP3 players, or even satellite TV (with Prison Council approval).

 Space per Inmate: Despite overcrowding, some cells in Wings A and F still offer 4 m2 per inmate (excluding WC). [opgeëiste persoon] could be accommodated in one of these if requested.

2 Rehabilitation Programs

The prison implements numerous educational, therapeutic, and cultural programs for interested inmates. An English-language presentation is attached.

3 Daily Routine

Inmates may remain outside their cells daily:

 Morning: 07:30 – 12:00

 Afternoon: 14:000 (or 15:00, seasonally) – 20:30/21:00 (summer).

 Additional hours (12:00-14:00) are permitted for work/education.

Thus, inmates spend over 10 hours/day outside cells , even if not working/studying.

4 Staff Improvements

To address understaffing (noted in the 2022 CPT Report and 2023 Greek Ombudsman Report ), the following hires were made (2022-present):

 62 guards

 1 nurse

 1 technician/engineer

 1 IT specialist

 1 criminologist

Het IRC heeft op 20 juni 2025 de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:

I therefore request that it can please be guaranteed that Mr [opgeëiste persoon] will be accommodated in one of the cells that provides him with 4m2 personal space (excluding sanitary facilities)?

Op 24 juni 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop het volgende antwoord gegeven:

(…) it is clarified that the aforementioned defendant, after his surrender, will likely be detained at **Korydallos Prison**. The management of the said facility has already confirmed (…) that its infrastructure can provide the detainee with the required space of **4 square meters**.

Furthermore, in recent years, the Greek State has adopted a series of correctional and generally anti-crime policy measures moving in the following four directions:

1 **Transfer of prisoners to facilities with greater capacity.**

2 **Creation of new correctional facilities** (such as that in Drama, which is already operational).

3 **Application of alternative sentences** (e.g., community service).

4 **Continuous monitoring of the overcrowding issue by the Central Transfer Committee** with the aim of the most rational possible distribution of prisoners among the country’s detention facilities and the gradual decongestion of facilities facing overcrowding problems.

5 **Full healthcare coverage for prisoners.**

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB, omdat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Griekenland een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vanwege de omstandigheden waaronder hij zal worden gedetineerd. De verdediging heeft hierbij verwezen naar het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 4 maart 2026 en stukken van een Griekse advocaat over de huidige bezettingscijfers in de Griekse gevangenissen. In het CPT-rapport van 4 maart 2026 worden ernstige en aanhoudende zorgen geuit en wordt geconstateerd dat de situatie in de gevangenis van Korydallos onveranderd is ten opzichte van de bezoeken in 2021 en 2022. Uit de stukken van de Griekse advocaat blijkt dat de overbevolking (ten opzichte van de eerdere bezoeken) verder is gestegen tot 156,63%. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom een algemeen gevaar aan te nemen voor de gevangenis van Korydallos. Verder verzoekt de verdediging de rechtbank om ook een individueel gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon aan te nemen en de Griekse autoriteiten niet nogmaals de gelegenheid te geven dit gevaar weg te nemen door het afgeven van een individuele garantie. Uit de informatie die er nu ligt - en die al meer dan een jaar geleden verstrekt is - volgt dat er in de gevangenis van Korydallos twee vleugels (wings A en F) zijn waar, ondanks de overbevolking, 4 m2 persoonlijke leefruimte kon worden geboden aan de opgeëiste persoon. Het zou kunnen dat de opgeëiste persoon daar wordt geplaatst, wanneer hij daar om verzoekt. Voorts is vermeld dat de gevangenis van Korydallos een persoonlijke leefruimte van 4 m2 kan bieden. Daarmee wordt niet nadrukkelijk gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in een cel met een persoonlijke leefruimte van 4 m2 zal worden gedetineerd. Bovendien blijkt uit het CPT-rapport van 4 maart 2026 dat de verdeling van welke gedetineerde op welke verdieping en in welke cel verblijft, wordt gemaakt door dominante groepen gedetineerden en niet door het personeel van de inrichting zelf. Daarbij bestaat er een concrete dreiging tegen het leven van de opgeëiste persoon. Zo kan hij op dit moment al niet in elke penitentiaire inrichting in Nederland worden geplaatst. Een verzoek tot overplaatsing is recent afgewezen. Deze dreiging bestaat al helemaal in Griekenland, terwijl uit het CPT-rapport blijkt dat zijn veiligheid in de gevangenis van Korydallos niet kan worden gegarandeerd vanwege personeelstekorten, de heersende cultuur van straffeloosheid en het onvermogen en/of de onwil om hiertegen op te treden. In 2026 hebben er al meerdere geweldsincidenten plaatsgevonden in de gevangenis van Korydallos.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 juni en 24 juni 2025 wordt voor de opgeëiste persoon gegarandeerd dat hij - ondanks de overbevolking die door de Griekse autoriteiten wordt erkend - over een persoonlijke leefruimte van 4m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) kan beschikken. Daarnaast kunnen gedetineerden aan verschillende activiteiten deelnemen en tien uur per dag buiten de cel verblijven. Niet kan worden uitgesloten dat er in de Griekse gevangenissen géén geweldsincidenten plaatsvinden. In de Nederlandse gevangenissen worden ook dagelijks drie geweldsincidenten gemeld. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat er extra personeel is aangenomen. Naar aanleiding van het vorige CPT-rapport zijn dus maatregelen genomen om verbeteringen door te voeren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het CPT-rapport van 4 maart 2026 en van de zorgen die daaruit blijken. Tijdens het CPT-bezoek in januari 2025, dat de basis vormt voor het CPT-rapport, is onder andere de detentie-instelling Korydallos I (de mannengevangenis) bezocht. Het CPT signaleert ten aanzien van de Griekse gevangenissen in het algemeen onder meer dat, ondanks beperkte beleidsmaatregelen, de gevangenissen blijven kampen met structurele problemen die de levensomstandigheden van gedetineerden negatief beïnvloeden. Chronische overbevolking en een ernstig personeelstekort ondermijnen de veiligheid, het toezicht en het voorkómen van geweld binnen de instellingen. Hierdoor is er sprake van onveilige situaties door interne machtsstructuren, interpersoonlijk geweld onder gedetineerden en een cultuur van straffeloosheid. Materiële omstandigheden zijn vaak slecht, met verouderde, onhygiënische cellen en onvoldoende basisvoorzieningen. De gezondheidszorg is onderbemand en ontoereikend, met name voor kwetsbare groepen zoals ouderen en mensen met een beperking. Ook is er sprake van onvoldoende aanbod aan educatieve, arbeids- en recreatieve activiteiten voor alle gedetineerden en ontbreekt een deugdelijk intern klachtensysteem. Het rapport benadrukt dat deze problemen om een integrale en dringende hervorming van het gevangenissysteem vragen.

Ter illustratie citeert de rechtbank een aantal paragrafen uit het CPT-rapport van 4 maart 2026 die specifiek zien op de situatie in Korydallos I:

31 (…)

Korydallos I Men’s Prison, located in the west of Athens, was built in the 1970s and initially consisted of four separate wings (A, B, C, D) each containing 117 single-occupancy cells across three floors. A fifth wing (E) was added in the late 1990s following the conversion of the former Prison for young offenders. At the time of the 2025 visit, the official capacity was 1 222, while the occupancy level stood at 1 900 (155.5%). (…)

43 During a short visit to C Wing of Korydallos I Men’s Prison, which was holding 426 prisoners in 117 cells, it became obvious very quickly that control within the wing was being exerted by certain groups of prisoners. This is illustrated clearly by the cell allocation policy. Cells on the ground floor and second floor were mostly extremely dilapidated and crammed with four or five persons in 9.5 m2, with two or three persons sleeping on mattresses on the floor.

By contrast, nearly all the cells on the first floor accommodated only two prisoners and were in a good state of repair (some even with tiled flooring) and equipped with fridges and other modern amenities. The contrast in living conditions was stark. The management was fully aware of this disparity, as were the prison officers working on the wing, but with only one or two officers responsible for 426 or more prisoners, they were not able to exert control. (…)

45 (…)

The delegation observed once again at both Korydallos I and Patras Prisons that the prisons only “functioned” because the officers were assisted by certain prisoners who were essentially carrying out prison officer duties, such as receiving all requests for exiting a wing and recording which prisoners left and entered the wing.

Further, the CPT considers that the Greek authorities need to grasp the reality of the working conditions for prison officers (see paragraphs 89 to 101). For example, on C Wing at Korydallos I Prison, there were still only two officers responsible for transferring the 426 prisoners from the yard and corridors into their cells; the sense of vulnerability and the fear of being overwhelmed at any moment continued to place a great strain on these officers. (…)

56 The conditions of detention regarding Korydallos I Men’s Prison remain more or less as described in the reports on the 2021 and 2022 visits. (…)

60 In all prisons visited, in most cells and dormitories, the mattresses were old, mouldy, and infested with bedbugs, cockroaches and, according to some allegations, mice. Even when disinfestations do take place, they were insufficient to tackle the problem, as it is mostly the beds and the mattresses that are infested and which therefore need to be replaced.

The cells and dormitories in the prisons visited were often cold and damp during the winter, and in many places mould was apparent on the walls. Insufficient access to hot water remained a widespread problem in the Greek prison system. (…)

89 (…)

Custodial officers are not present on the accommodation wings but remain in booths outside, merely controlling entry and exit to the wings, although in prisons such as Korydallos I and Patras, the one or two officers struggle even to keep a clear record of prisoners exiting the wings. (…)

91 The custodial staffing numbers in all the prisons visited were inadequate. These numbers were dangerously and unprofessionally low, in particular at Korydallos I Prison, with only 20 officers on duty in the morning and afternoon for over 1 800 prisoners (…)

103 Healthcare staffing levels were inadequate in all the prisons visited. (…)

104 None of the male prisons visited had a full-time, resident general practitioner (GP). (…) In contrast, Korydallos I Prison relied entirely on 13 visiting doctors (most once or twice weekly or on-call), none of whom was a GP. This marked a significant deterioration compared to the 2021 visit, when six GPs visited the prison weekly. (…)

Zoals uit punt 56 van het CPT-rapport van 4 maart 2026 volgt, zijn de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Korydallos I min of meer hetzelfde gebleven ten opzichte van het CPT rapport over de bezoeken in de jaren 2021 en 2022. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 4 juni 2025 hierover de volgende passages ten aanzien van overbevolking, verdeling van gedetineerden over de gevangenissen, geweld onder gedetineerden en onderbezetting van het personeel overwogen:

Overbevolking

13 Overcrowding has been a constant feature of the Greek prison system for many years and modulating its increase in recent years was largely achieved by the adoption of emergency measures under Law 4322/2015,6 which were extended in 2016 and 2017. Nevertheless, these interventions sought only to manage the problem and were not accompanied by policies to address the causes of overcrowding. In far too many instances, persons in prison continue to be held in overcrowded cells or dormitories offering less than 4m² of living space, and in many instances less than 3m², per person.

Verdeling van gedetineerden over gevangenissen

14 At the time of the November/December 2021 visit, the prison population stood at 11,1827 for a capacity of 10,175 places (i.e. a prison occupancy rate of 110%).

However, the distribution of prisoners across the prison estate, and even within individual prison establishments, means that overcrowding is far more severe than indicated by the figure of 110%. Indeed, at the time of the visit, 24 of the 34 prisons were overcrowded, with 15 prisons having an occupancy rate of above 130% of their official capacity, including large prisons such as Korydallos Men’s (152%) (…)

By contrast, certain prison establishments such as the rural prisons of Agia Chania and Kassandra Chalkidiki were operating at only 35% of their capacity and Tirintha Argolida Prison held only 47 persons for a capacity of 302 places. This is mainly due to the strict criteria for transferring prisoners to these rural prisons. (…)

20 (…) Korydallos Men’s Prison was most recently described in the report on the 2019 visit and there have been no changes since. At the time of the 2021 visit, it was accommodating 1,885 persons for an official capacity of 1,200 places (i.e. an occupancy rate of 154%), which represents an increase of some 200 persons since April 2019. Most persons were held on remand (61%) and there were 1,131 foreign nationals (the largest numbers being from Albania, Afghanistan, Algeria, Bangladesh, Georgia, Iran, Iraq and Pakistan). (…)

31 At Korydallos Men’s Prison, each of the four main wings (A, B, C, D) contained 117 operational cells (9.5m² including the sanitary facilities) spread across three floors. These wings should accommodate no more than 234 persons, on the basis of two persons per cell. However, with the exception of A Wing (234 persons), the other wings were grossly overcrowded with many cells accommodating three or four persons with some holding even more.

Wing B was, once again, the most overcrowded with 449 prisoners (i.e. most cells offered only 2-3m² of living space per person and some cells even less as they held as many as five prisoners). Persons were accommodated in generally very poor conditions: mattresses and blankets were filthy, cells were infested with cockroaches and bed bugs, several cells had mould on the walls and ceilings. There was a general lack of hygiene accentuated by the fact that many of the prisoners had no money and no family to support them, and no hygiene and cleaning products were issued by the prison.

In Wing C, which was holding 413 prisoners, there was a stark contrast between the state of the cells on the first floor and those on the other two floors. The first-floor cells were clean, in a good state of repair and properly equipped. The cells on the ground and second floors, mostly occupied by persons from the Roma community, were holding as many as six persons in some cells (i.e. 1.5m² of living space each) and their appalling conditions resembled those described above in respect of Wing B. The conditions in Wings A and D were generally better aided by the fact that nearly all the prisoners had relatives to assist them. Nevertheless, D Wing was severely overcrowded and even on these wings, hygiene was a problem and, as on the other wings, many of the showers did not work and were not screened. Further, in none of the cells on the four wings was there a call bell to alert staff in case of need and notably during hours of lock-up.

The fifth large accommodation unit, Wing E, was also severely overcrowded accommodating 390 persons in multiple-occupancy dormitories many of which offered less than 3m² of living space per person and a few even less than 2m². They were also in a state of advanced dilapidation (mould present on the ceilings, broken windows, exposed wiring, broken tiles and flooring of the sanitary annexe, only one of four toilets functioning). Further, there was no functioning artificial lighting in the basement rooms 8 and 9, no piped hot water to any of the rooms in the basement and there was a lack of hygiene and cleaning products throughout the wing.

Many prisoners acknowledged that certain provisions were distributed by the prison administration, but they described the access to clothes, cleaning materials and other necessities as “totally random”. Indeed, it appeared that for a number of foreign nationals clothes and other personal belongings were only acquired when other prisoners left the establishment.

Throughout the prison, the electrical wiring was incredibly dangerous as additional appliances such as fridges, heaters and makeshift showers were attached haphazardly and in an inexpert manner to the grid. Further, the delegation observed that as prisoners invested their own money into the upkeep of their cells so the cells became de facto their property which resulted in the occupants deciding on who should be permitted to share their cell if a space became available.

The CPT once again calls upon the Greek authorities to take urgent steps to significantly reduce the extreme overcrowding at Korydallos Men’s Prison. A phased programme should be devised to reduce the occupancy levels from the current three or more prisoners per 9.5m² cell to no more than two per cell and to reduce the occupancy levels in the dormitories to ensure that each prisoner is provided with at least 4m² of living space, excluding the sanitary annexe. Further, it is essential that the Greek authorities ensure that all prisoners are provided with a minimum standard of basic living conditions in order to meet the decency threshold as set out in the CPT’s 30th General Report of May 2021. To this end, steps should also be taken to maintain the cells and dormitories in a decent state of repair and to ensure that they are regularly disinfected and that prisoners are provided with sufficient cleaning materials to keep themselves and their cells clean. Finally, action must be taken to ensure that persons from the Roma community and foreign nationals in Korydallos Men’s Prison are not discriminated against.

Geweld onder gedetineerden

24 The CPT’s delegation found that the high levels of inter-prisoner physical violence evident in all the prisons visited in 2019 had reduced, with fewer instances of severe injuries resulting in hospitalisation. Further, at Korydallos Men’s Prison, there was no longer a pervasive climate of fear present on the wings. The Greek authorities explained that improving security within the prison system was a priority, with better controls of all goods and persons entering prison establishments and targeted transfers from one prison to another of violent prisoners or of those threatening the good order of a prison. If properly and fairly applied these measures represent a start in tackling the phenomenon of inter-prisoner violence.

However, the delegation found once again that much of the inter-prisoner violence and intimidation remains unreported as prisoners do not believe that staff can help them. Indeed, stronger prisoners or groups of prisoners run the wings in each of the larger prisons visited laying down the rules and often deciding which prisoners can stay or be admitted to their wing. In this regard, the underlying dynamic within prisons has not changed since 2019 and it is to be seen to what extent the restrictions imposed in the context of the Covid-19 pandemic have contributed to the reduction in severe instances of inter-prisoner violence. In sum, most Greek prisons still do not provide a safe and secure environment for prisoners which is directly linked to the continued shortages of staff, resulting in control being ceded to groups of particular prisoners, often formed along ethnic lines, within the accommodation wings. The number of prison officers must be increased substantially, and a dynamic security approach be introduced, within prisons.

25 As mentioned above, the situation at Korydallos Men’s Prison had improved and it was positive that prisoners were now locked in their cells between 13h00 and 14h30, in accordance with the official regime rules. Nevertheless, the situation remains combustible and dangerous for both prisoners and staff. At the time of the visit, the four main wings (A-D), each with 117 cells on three floors and holding between 228 and 449 prisoners, were still staffed only by a single prison officer. The situation was no better on Wing E which was holding 340 persons, primarily in dormitories. The role of the custodial officer on this wing was to act as a “turnkey”, spending much of his time locking and unlocking the wing gates for the constant flow of individual prisoners attending or returning from services in other parts of the establishment.

The CPT’s delegation again received multiple allegations of intimidation and violence perpetrated by other prisoners and many prisoners continued to possess make-shift knives for self protection. Complaining was still considered unthinkable, according to the persons met, as victims not only expected that no action would be taken officially but also feared reprisals from other prisoners. At lock-up, there were still only two officers responsible for transferring the hundreds of prisoners from the yard and corridors into their cells; the sense of vulnerability and the fear of being overwhelmed at any moment continued to place a great strain on these officers. The CPT’s delegation observed once again that the prison only “functioned” due to the fact that the officers were assisted by certain prisoners who were essentially carrying out prison officer duties, such as receiving all requests for exiting a wing and recording which prisoners left and entered the wing.

In such conditions, it is difficult to see how one or even two prison officers can be expected to know what is happening within a wing, let alone keep control. Clearly, such an approach to the management of prisons forsakes their duty of care to all prisoners thus undermining their legitimacy and opening the door to corrupt practices.

(…)

27 Inter-prisoner violence, to a large extent, continues to be fuelled by a number of factors, notably, chronic understaffing, overcrowding, the influence exercised by stronger groups of prisoners, poor material conditions, a lack of activities and a high prevalence of illicit drug use. At the same time, there is an absence of a proper risks and needs assessment of prisoners upon admission and of any categorisation of prisoners based upon such an assessment. The Committee must reiterate that the duty of care which is owed by the State to those in their charge includes the responsibility to protect them from other inmates who wish to cause them harm.

Addressing the phenomenon of inter-prisoner violence first and foremost requires that staffing levels be radically increased. Moreover, the existing skills and expertise of prison staff should be expanded by providing further specialised training. Prison staff must be alert to signs of trouble and both resolved and properly trained to intervene. The existence of positive relations between staff and prisoners, based on the notions of dynamic security and care, is a decisive factor in this context; this will depend to a large extent on staff possessing appropriate interpersonal communication skills. It is also obvious that an effective strategy to tackle inter-prisoner violence and intimidation should seek to ensure that prison staff are placed in a position to exercise their authority in an appropriate manner.

Onderbezetting personeel

49 At Korydallos Men’s Prison, nothing has been done to improve the numbers of custodial staff within the prison since the 2019 visit. With an overall complement of 133 custodial officers, an optimal day shift consisted of around 33 officers (including three assistant chief guards) supervising the wings, yards, corridors, kitchen, visiting areas, infirmary, stores, school and security. For a population of 1,885 prisoners, such staffing numbers are dangerously and irresponsibly low. The five large accommodation wings continued to have only one or two custodial officers responsible for supervising 238 to 449 prisoners. Such a state of affairs represents a dereliction of the duty of care invested in the State when it deprives a person of their liberty as well as placing the staff member in a situation where he cannot exert any authority and must consider his own safety. Indeed, a single custodial officer can only “manage” the wing with the support of several prisoners who sign on and off the wing and with the authority of the leaders among prisoners.

Op basis van de op dit moment voorhanden zijnde, hiervoor geciteerde, informatie over de detentie-instelling, komt de rechtbank tot het aannemen van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest voor gedetineerden in de detentie-instelling Korydallos I.

Leefruimte

Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar ziet op het feit dat sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden in de detentie-instelling Korydallos I in een meerpersoonscel over minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte beschikken.

Uit de aanvullende informatie van de the Head of the Directorate of the Penitentiary Establishment of Korydallos I van 16 juni 2025 blijkt dat de bezettingsgraad van de detentie-instelling Korydallos I op 13 juni 2025 156,4% was, hetgeen een kleine stijging is ten opzichte van het bezoek van het CPT in januari 2025 en eerder in 2022. Dit is ondanks het feit dat in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 24 juni 2025 wordt vermeld dat beleidsmaatregelen worden genomen met betrekking tot de overbevolking.

De rechtbank overweegt verder dat in de aanvullende informatie van 16 juni 2025 alleen maar is vermeld dat, ondanks de overbevolking, sommige cellen op de afdelingen A en F nog steeds een persoonlijke leefruimte van 4 m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) kunnen bieden en dat de opgeëiste persoon in één van deze cellen kan worden geplaatst, indien hier om wordt verzocht. Uit de aanvullende informatie van 24 juni 2026 volgt dat de infrastructuur van de detentie-instelling Korydallos I de opgeëiste persoon kan voorzien van de vereiste persoonlijke leefruimte van 4 m2. De rechtbank is van oordeel dat met deze informatie niet ondubbelzinnig voor de opgeëiste persoon wordt gegarandeerd dat hij zal worden gedetineerd in een cel met een persoonlijke leefruimte van 4 m2. Bovendien dateert deze informatie inmiddels van meer dan een jaar geleden en toen waren de onderzoeksbevindingen van het CPT zoals neergelegd in het rapport van 4 maart 2026 nog niet bekend. De verstrekte informatie van 16 en 24 juni 2025 is dus onvoldoende om het algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen.

Overige aspecten

De rechtbank overweegt dat daarnaast (de combinatie van) de volgende aspecten kunnen bijdragen aan een mensonterende of vernederende behandeling van gedetineerden in de detentie-instelling Korydallos I: de veiligheid van gedetineerden (al dan niet als gevolg van personeelstekorten, interne machtsstructuren en onderling geweld tussen gedetineerden), het algemene gebrek aan hygiëne in de cellen en het tekortschieten van medische verzorging wegens ernstige onderbezetting van het medisch personeel.

Conclusie

De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in de detentie-instelling Korydallos I, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in deze detentie-instelling, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.

Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Griekenland een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in de detentie-instelling Korydallos I waar hij naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Zoals de rechtbank zojuist heeft overwogen, biedt de aanvullende informatie van 16 en 24 juni 2025 in ieder geval niet een afdoende individuele detentiegarantie voor de opgeëiste persoon.

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om na te gaan of voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar dat is aangenomen in Korydallos I door een individuele garantie kan worden weggenomen. Gelet hierop verzoekt de rechtbank de officier van justitie de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:

1 Wat is de actuele bezettingsgraad van de detentie-instelling Korydallos I en wat is de specifieke bezettingsgraad van de afdeling waarop de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd?

2 Over hoeveel persoonlijke leefruimte (personal space) in een meerpersoonscel - exclusief de oppervlakte van het sanitair - zal de opgeëiste persoon beschikken in Korydallos I? Zijn de sanitaire voorzieningen in de cel deugdelijk afgeschermd?

3 Indien de opgeëiste persoon beschikt over een individuele leefruimte (personal space) - exclusief sanitair - tussen 3 m2 en 4 m2, dan heeft de rechtbank - gelet op het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punt 75) - de volgende aanvullende vragen:

 Hoeveel uur per dag verblijft de opgeëiste persoon in zijn cel?

 Welke mogelijkheden heeft de opgeëiste persoon tot luchten, arbeid, sport, scholing en andere activiteiten buiten de cel?

 Hoeveel uren per dag kan de opgeëiste persoon aan deze activiteiten deelnemen? (In de veronderstelling dat hij zich ook aanmeldt voor de geboden opties)

 Is in de detentie-instelling Korydallos I in het algemeen sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de opgeëiste persoon niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden?

4 Indien de opgeëiste persoon beschikt over een individuele leefruimte (personal space) - exclusief de oppervlakte van het sanitair - van minder dan 3 m2, dan heeft de rechtbank - gelet op het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punt 73) - de volgende aanvullende vragen:

 Is deze beperking van de individuele leefruimte enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate ten opzichte van de vereiste minimale 3 m2?

 Wordt hierbij voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel geboden en worden buiten de cel passende activiteiten aangeboden?

 Is in de detentie-instelling Korydallos I in het algemeen sprake van decente detentieomstandigheden en wordt de opgeëiste persoon niet onderworpen aan andere elementen die worden beschouwd als verzwarende omstandigheden voor slechte detentieomstandigheden?

In het verlengde van voorgaande vraag over de algemene decente omstandigheden en mogelijke verzwarende omstandigheden heeft de rechtbank ook de volgende aanvullende vragen:

5 Heeft de opgeëiste persoon in de detentie-instelling Korydallos I de beschikking over een eigen bed met een matras en beddengoed?

6 Kunt u een overzicht geven van de huidige situatie met betrekking tot het onderhoud en de hygiëne van cellen en gemeenschappelijke ruimtes in de detentie-instelling Korydallos I, inclusief de genomen maatregelen en de effectiviteit daarvan?

7 Hoeveel artsen en verpleegkundigen zijn werkzaam in de detentie-instelling Korydallos I?

8 De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de door de Griekse autoriteiten gegeven reactie van 30 januari 2026, naar aanleiding van de bevindingen van het CPT over de omstandigheden in Griekse detentie-instellingen. De rechtbank leest in deze reactie dat de Griekse autoriteiten maatregelen aankondigen en heeft in het bijzonder acht geslagen op de maatregelen in het kader van:

a) de overbevolking,

b) het interpersoonlijk geweld onder gedetineerden,

c) de cultuur van straffeloosheid,

d) de sterke invloed van machtsgroepen,

e) het gebrek aan toezicht en personeel,

f) het tekort aan medisch personeel,

g) het ontbreken van klachtenprocedures voor gedetineerden.

Kunt u toelichten ten aanzien van deze specifieke onderwerpen hoe de situatie is in Korydallos I, welke concrete verbeteringen inmiddels zijn doorgevoerd in de detentie-instelling Korydallos I naar aanleiding van het CPT-rapport, en welke maatregelen nog staan gepland?

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om:

1 partijen in de gelegenheid te stellen de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2026 (met parketnummer 13-203132-26) te betrekken bij hun standpunt over de effectieve rechtsbescherming;

2 de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de hand van de onder paragraaf 5 geformuleerde vragen na te gaan of voor de opgeëiste persoon het aangenomen algemene gevaar door een individuele detentiegarantie kan worden weggenomen.

BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode tussen 14 november 2026 en 24 november 2026.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van denk Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken