Rb. Amsterdam 29 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10148

Vrijspraak witwassen van een geldbedrag van € 430.840,-, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van het geldbedrag dat is aangetroffen. Bewezenverklaring aanwezig hebben 700 kilogram hasjiesj. De rechtbank ziet geen aanleiding om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, nu de rechtbank van oordeel is dat de achterdeurproblematiek niet op verdachte van toepassing is. Ten eerste geldt dat verdachte geen coffeeshophouder of eigenaar is. Daarnaast is niet gebleken waarom het noodzakelijk was dat verdachte deze grote voorraad in bewaring had of dat verdachte een formele werkrelatie heeft met een coffeeshop. Verdachte heeft hierover geen enkele openheid van zaken gegeven door zich op zijn zwijgrecht te beroepen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/340148-25
Datum uitspraak: 29 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
ter terechtzitting verklaard daar niet meer woonachtig of ingeschreven te zijn en nu zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te zijn,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna te noemen: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.D.A. van Boom, advocaat in Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat en na een toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering – tenlastegelegd dat hij zich in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1:

het medeplegen van het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, of in elk geval aanwezig hebben, van ongeveer 800,27 kilogram hasjiesj op de [adres 1] en/of [adres 2] op 11 en 12 december 2025;

feit 2:

het medeplegen van het witwassen van € 430.840,- op 11 december 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 alleen kan worden bewezen dat verdachte de hasjiesj aanwezig heeft gehad.

4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de hasjiesj en het geld in de woning op de [adres 1] . Dit betreft de woning van de vader van verdachte. Voorafgaand aan de doorzoeking heeft er op de [adres 1] een woningoverval plaatsgevonden. Ter plaatse ziet de politie dat de woonkamer en slaapkamer overhoop zijn gehaald en dat er hasjblokken op de grond en in een open vriezer liggen. Het is aannemelijk dat de hasjblokken voorafgaand aan de woningoverval aan het zicht waren onttrokken en in verborgen ruimtes waren verstopt. Er kan daarom niet worden vastgesteld wat de situatie in de woning is geweest voorafgaand aan de woningoverval en daarmee ook niet dat verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de hasjiesj.
Ten aanzien van de aangetroffen hasjiesj in de woning op [adres 2] geldt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over deze drugs. De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld hoeveel kilogram hasjiesj er op de [adres 2] is aangetroffen en dat hooguit ‘een hoeveelheid’ kan worden bewezen verklaard. De aangetroffen hasjiesj op beide locaties is namelijk niet apart gewogen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Feiten en omstandigheden
[adres 1]
Op 11 december 2025 kwam bij de politie een melding binnen van een woningoverval op de [adres 1] in [plaats] . Het gaat om een woning waar [vader verdachte] , [zus verdachte] en [broer verdachte] wonen en ingeschreven staan. [vader verdachte] is de vader van verdachte, [zus verdachte] is de zus van verdachte en [broer verdachte] is de broer van verdachte. Bij aankomst zag de politie dat [zus verdachte] tape om haar pols had en dat ook [vader verdachte] was vastgetapet aan een stoel. Even later kwam verdachte aan bij de woning. De politie zei tegen verdachte dat zij in het tuinhuis wilden kijken. Hierop gaf verdachte aan dat de overvallers daar niet geweest waren en dat dit niet nodig was. De politie zag vervolgens dat de woonkamer en slaapkamer van het tuinhuis overhoop waren gehaald. In de woonkamer zag de politie meerdere hasjblokken liggen. Ook stond er een vriezer open met hasjblokken erin. Hierna heeft in het tuinhuis een doorzoeking plaatsgevonden. Bij de doorzoeking heeft de politie in tuinkisten en vriezers meerdere hasjblokken aangetroffen met een geschat gewicht van in totaal 100 kilogram. In de serre van de woning heeft de politie in een luik onder de bank ook een geldbedrag van € 430.840,- aangetroffen.
In de slaapkamer van [vader verdachte] heeft de politie een aantal notitieblokken aangetroffen. In de notities staan allerlei namen zoals “[naam 1]” en ”[naam 2]” met daarachter getallen; ook staan er berekeningen bij. De politie heeft deze namen opgezocht via Google en het bleek te gaan om soorten hasjiesj.
De politie heeft ook onderzoek verricht aan de telefoon die onder [vader verdachte] in beslag is genomen. Uit de data van de telefoon blijkt dat deze in gebruik is geweest bij [vader verdachte] . In de telefoon zijn diverse afbeeldingen aangetroffen waarop hasjblokken te zien zijn en uit de metadata van de telefoon blijkt dat deze afbeeldingen met de telefoon zelf zijn gemaakt. Daarnaast zijn er op de telefoon WhatsApp en Signal gesprekken aangetroffen, waarin tussen de gebruiker van de telefoon en gebruiker ‘ [gebruikersnaam] ’ wordt gesproken over een ontmoeting bij “[naam coffeeshop]”. In Hilversum zit een coffeeshop met die naam.
[adres 2]
Op 12 december 2025 heeft de politie ook de woning op [adres 2] in [plaats] doorzocht. Op dit adres stond verdachte op dat moment ingeschreven. In de slaapkamer, keuken, woonkamer en kelderbox van de woning heeft de politie een grote hoeveelheid hasjiesj in zakken aangetroffen en inbeslaggenomen. In de woning zijn in totaal elf zakken met hasjiesj aangetroffen en in de kelderbox zijn in totaal 24 zakken met hasjiesj aangetroffen. Het gewicht van één zak wordt door de politie geschat op 20 kilogram, waarmee het totaal gewicht op 700 kilogram wordt geschat. In de woning zijn daarnaast diverse poststukken op naam van verdachte aangetroffen. In de woning is ook een apparaat gevonden dat wordt gebruikt om hasjblokken te persen en zijn ook meerdere stickers aangetroffen waarop verschillende namen, zoals “[naam 1]” en “[naam 3]” staan.
Het totale gewicht van de aangetroffen hasjiesj op de [adres 1] en [adres 2] is later door de politie gezamenlijk gewogen en komt neer op 800,27 kilogram.

4.3.2 Vrijspraakoverwegingen
Feit 1: Partiële vrijspraak ten aanzien van voorhanden hebben hasjiesj op [adres 1]
Voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs is onder meer vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de drugs. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de hasjiesj die is aangetroffen op de [adres 1] . Zij overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft zich ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij de aangetroffen hasjiesj op de [adres 1] heeft bewaard voor iemand anders en dat zijn vader [vader verdachte] hier niets mee te maken heeft. Uit het dossier, waaronder het onderzoek naar de telefoon van [vader verdachte] en de aangetroffen notitieblokken in de slaapkamer van [vader verdachte] , blijkt echter dat er concrete aanwijzingen bestaan dat [vader verdachte] wel betrokken is bij een of meerdere opiumwetfeiten. De rechtbank acht de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris, voor zover inhoudende dat zijn vader niets te maken heeft met de aangetroffen hasjiesj, daarom ongeloofwaardig.
Uit het dossier volgt verder dat er voorafgaand aan de doorzoeking op de [adres 1] een woningoverval heeft plaatsgevonden. De politie heeft ter plaatse waargenomen dat de woonkamer en slaapkamer van de woning overhoop waren gehaald en dat er hasjblokken op de grond lagen. Ten aanzien van de overige hasjiesj die de politie vervolgens bij de doorzoeking heeft aangetroffen, geldt dat deze niet direct in het zicht lagen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld of de hasjblokken voorafgaand aan de woningoverval in het zicht hebben gelegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de hasjiesj op de [adres 1] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit deel van de tenlastelegging.
Feit 2: Vrijspraak witwassen € 430.840,-
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 430.840,-. Zij overweegt daartoe als volgt.
Voor het bewezen verklaren van witwassen dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte het aangetroffen geld voorhanden heeft gehad. Voor het plegen van opzettelijk aanwezig hebben van dit geld is vereist dat verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dit geld. Zoals hiervoor is overwogen onder 4.3.1 is het geldbedrag niet aangetroffen in de woning van verdachte maar in de woning van zijn vader. Het geld lag ook niet in het zicht maar in de bank onder een verborgen luik. Het luik was op slot. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van dit geldbedrag. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van het geldbedrag dat is aangetroffen op de [adres 1] en spreekt verdachte daarom vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

4.3.3 Bewijsoverweging
Feit 1: Bewezenverklaring ten aanzien van voorhanden hebben hasjiesj [adres 2]
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van drugs gelden twee voorwaarden: (i) wetenschap van de aanwezigheid van de drugs en (ii) beschikkingsmacht daarover. Daarvoor is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij verdachte aanmerkt als de feitelijk bewoner van [adres 2] , gelet op zijn inschrijving op dit adres en de in de woning op zijn naam aangetroffen poststukken. Als uitgangspunt geldt dat de bewoner van een woning geacht mag worden weet te hebben van (en dus opzet te hebben op) al hetgeen zich in de woning bevindt, tenzij een aannemelijke verklaring voor het tegendeel is gegeven. Daarvan is niet gebleken. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdovende middelen bewaarde voor een ander.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte wetenschap van de aanwezigheid van de hasjiesj en de beschikkingsmacht daarover heeft gehad. Dit geldt voor zowel de aangetroffen hasjiesj in de woning zelf als in de bijbehorende kelderbox. De hasjiesj die in de woning zijn aangetroffen lagen direct in het zicht en waren in zakken verspreid over verschillende kamers van de woning. Het kan daarom niet anders dan dat verdachte hier weet van heeft gehad. De kelderbox betreft een bij de woning behorende ruimte. Ten aanzien hiervan geldt ook dat de bewoner, behoudens contra-indicaties, geacht wordt weet te hebben en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de goederen die zich daarin bevinden. Nu verdachte hierover geen verklaring heeft afgelegd, is van contra-indicaties niet gebleken. Nu de verdovende middelen zich in zijn woning en kelderbox bevonden waar hij vrijelijk toegang had tot alle vertrekken, mag ervan uit worden gegaan dat verdachte ook feitelijke beschikkingsmacht had over de aangetroffen hasjiesj. Het feit dat verdachte stelt dat hij de drugs in zijn woning voor een ander bewaarde, zoals door de verdediging in dit verband nog aangevoerd, maakt dit niet anders. Voor zover al aannemelijk kan worden geacht dat hij de drugs voor een ander bewaarde heeft verdachte niet toegelicht waarom hij hierdoor geen feitelijke zeggenschap meer had over de drugs. Voor de feitelijke zeggenschap is immers de beschikkingsbevoegdheid over de drugs niet van belang.
De hasjiesj die is aangetroffen op de [adres 1] en [adres 2] is niet apart gewogen. Het totale gewicht van de op beide adressen aangetroffen hasjiesj betreft 800,27 kilogram. De politie heeft het gewicht van de aangetroffen hasjiesj op de [adres 1] geschat op 100 kilogram en het gewicht van de aangetroffen hasjiesj op de [adres 2] geschat op 700 kilogram. Gelet op de grote hoeveelheid zakken met hasjiesj die op de [adres 2] is aangetroffen en het totale gewicht van de drugs dat (vrijwel) overeenkomt met het totale gewicht van de schatting, is de rechtbank van oordeel dat voor het gewicht van de hasjiesj op de [adres 2] aansluiting kan worden gezocht bij het geschatte gewicht, te weten 700 kilogram. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte 700 kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad.
Geen medeplegen
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten samen met een of meer anderen zijn begaan. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De verklaring van de verdachte dat hij de goederen in beide woningen voor een ander bewaarde, heeft de rechtbank ongeloofwaardig geacht. Daarnaast bestaan er concrete aanwijzingen dat, naast verdachte, ook [vader verdachte] betrokken is bij een of meerdere opiumwetfeiten. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [vader verdachte] ten aanzien van die feiten. De rechtbank komt daarom niet tot een bewezenverklaring van medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 12 december 2025 te [plaats] , opzettelijk heeft aanwezig heeft gehad, te weten op het adres de [adres 2] te [plaats] een hoeveelheid van ongeveer 700 kilogram hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1 De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ‘achterdeurproblematiek’ van toepassing is. Daarom heeft hij primair verzocht, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, te volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf, in aansluiting op een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland.

8.3 Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj. Drugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande (ernstige) vormen van criminaliteit. Het bezit van drugs dient dan ook te worden bestreden.
Het opslaan van drugs is daarnaast een belangrijke schakel in de keten van professionele drugshandel, die ondermijnend is voor de samenleving en de legale economie. Dat verdachte zich om deze aspecten heeft bekommerd, is niet gebleken.
Achterdeurproblematiek
De rechtbank is zich bewust van de zogenaamde achterdeurproblematiek in het kader van het Nederlandse gedoogbeleid rond coffeeshops. De rechtbank stelt voorop dat het bezit van softdrugs strafbaar is, zeker als het gaat om grote hoeveelheden. Het in de jurisprudentie ontwikkelde rechterlijk pardon ten aanzien van de bevoorrading van coffeeshops heeft uitsluitend betrekking op de situatie waarin een handelsvoorraad van boven de maximaal toegestane 500 gram wordt aangehouden én is voldaan aan de overige gestelde gedoogvoorwaarden. Het overtreden van de toegestane handelsvoorraad kan leiden tot het geven van toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht mits het gepleegde feit verband houdt met een op een verantwoorde wijze exploiteren van een coffeeshop.
De rechtbank ziet geen aanleiding om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, nu de rechtbank van oordeel is dat de achterdeurproblematiek niet op verdachte van toepassing is. Ten eerste geldt dat verdachte geen coffeeshophouder of eigenaar is. Daarnaast is niet gebleken waarom het noodzakelijk was dat verdachte deze grote voorraad in bewaring had of dat verdachte een formele werkrelatie heeft met een coffeeshop. Verdachte heeft hierover geen enkele openheid van zaken gegeven door zich op zijn zwijgrecht te beroepen. De rechtbank heeft gelet hierop geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van achterdeurproblematiek. Daar komt bij dat het om aanmerkelijk grotere hoeveelheid softdrugs gaat dan in zaken waarin achterdeurproblematiek wel wordt aangenomen. De rechtbank zal daarom wel overgaan tot een strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 10 maart 2026. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen, omdat zij, gelet op de proceshouding van verdachte, de kans op recidive niet kan inschatten en geen zicht heeft op delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert daarom om geen bijzondere voorwaarden te koppelen aan de op te leggen straf. De rechtbank zal dit advies van de reclassering overnemen.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting. Bij het aanwezig hebben van een hoeveelheid tussen de 25 en 250 kilogram aan hasjiesj (softdrugs) gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte een first offender is. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat het strafmaximum voor het aanwezig hebben van softdrugs, gelet op artikel 11 van de Opiumwet, een gevangenisstraf voor de duur twee jaren is.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast en geboden is. Daarnaast vindt de rechtbank een flinke stok achter de deur noodzakelijk, zodat verdachte in de toekomst niet nog eens de fout in zal gaan. De rechtbank zal verdachte daarom een gevangenisstraf voor de duur 18 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9 Beslag

Onder verdachte zijn diverse voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven. Deze voorwerpen staan vermeld op de beslaglijst en onder rubriek 11.

9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 570,- en de twee horloges moeten worden teruggegeven aan verdachte en dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 430.840,- verbeurd dient te worden verklaard. De inbeslaggenomen hasjiesj, boksbeugels, fust en band moeten worden onttrokken aan het verkeer.

9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen hasjiesj onttrekken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
De inbeslaggenomen boksbeugels zijn in het onderzoek naar verdachte in beslag genomen. Deze zijn op grond van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is immers in strijd met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het geldbedrag van € 570,- en de twee horloges die onder hem in beslag zijn genomen.
De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende van het geldbedrag van € 430.840,-, de fusten en de band.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek

5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beslag

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

5 1 STK Boksartikel (G6748837); 6. 1 STK Boksartikel (G6748844); 7. 1 STK Boksartikel (G6748846); 8. 1 STK Hashish (G6748993); 9. 1 STK Hashish (G6748999); 10. 1 STK Hashish (G6749006); 11. 1 STK Hashish (G6749008); 12. 1 STK Hashish (G6749010); 13. 1 STK Hashish (G6761557); 21. 1 STK Hashish (G6750378); 24. 1 STK Hashish (G6749022); 25. 9 STK Hashish (G6749023); 26. 16 STK Hashish (G6751756); 27. 16 STK Hashish (G6749036);

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1 EUR Geld (G6748835);

2 1 STK Horloge (G6748840);

23 1 STK Horloge (G6748839);

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

3 430.840,00 EUR Geld (G6750437);

14 1 STK Fust (G6750128); 15. 1 STK Fust (G6750129); 16. 1 STK Fust (G6750125); 17. 1 STK Band (G6750130); 18. 1 STK Fust (G6750131); 19. 1 STK Fust (G6750147); 20. 1 STK Fust (G6750149).

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter

mrs. D.M.S. Gribling en L.A.L. Wiersinga, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2026.

[....]

[....]

[....]

[....]

.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken