Rb. Amsterdam 28 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10058

Gedraging ziet op het negeren van een geslotenverklaring (bord C2) op de Oudeschans te Amsterdam. Anders dan door gemachtigde is aangevoerd, blijkt uit de door verweerder ingebrachte stukken voldoende dat het Openbaar Ministerie voor de desbetreffende pleeglocatie instemming heeft verleend met de digitale camerahandhaving. In de op 4 augustus 2026 gedateerde brief staat immers dat er op 6 juni 2024 instemming is verleend. De algemene betwisting van de bevoegdheid van diegene die de instemming heeft verleend, wordt niet gevolgd. Beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. J.M.B. Cramwinckel
zaaknummer: 12021120 WM VERZ 25-22515
beslissing van: 28 september 2026
func.: 43837
Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:
[betrokkene]
[adres]
(verder: betrokkene)
voor wie beroep is ingesteld door: Verkeersboete.NL / mr. N.G.A. Voorbach
(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 7 oktober 2025 en is gericht tegen de beslissing van 22 september 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] , Irak op [geboortedag] 1994.
CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 16 november 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd.

De mondelinge behandeling van het beroep is gestart op de openbare zitting van 12 mei 2026, waar de behandeling van de zaak is aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen omtrent de instemming met de digitale handhaving. Van deze gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt.

De mondelinge behandeling van het beroep is voortgezet op de openbare zitting van 28 september 2026, voor welke zitting partijen zijn opgeroepen.

Namens gemachtigde is de heer [naam 1] bij de zitting verschenen.

Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

Ten slotte is door de kantonrechter aan het einde van de zitting schriftelijk uitspraak gedaan.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1 Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig, met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, een weg is gebruikt in strijd met een eenrichtingsweg dan wel geslotenverklaring op een andere weg dan een auto(snel)weg. Deze gedraging is geconstateerd door middel van digitale camerahandhaving op 5 november 2024 om 21:42 uur op de Oudeschans te Amsterdam.

2 De inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 12 mei 2026 geldt hier als ingelast en overgenomen.

3 Op de zitting van 12 mei 2026 heeft de kantonrechter de onderhavige zaak aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen de bevoegdheid van de boa nader te onderbouwen. Dat kan bijvoorbeeld door stukken in te dienen waaruit blijkt dat het Openbaar Ministerie heeft ingestemd met de digitale handhaving op de desbetreffende locatie (Oudeschans te Amsterdam).

4 Naar aanleiding van de tussenbeslissing heeft verweerder nadere stukken ingediend. Het gaat om een op 4 augustus 2026 gedateerde verklaring van instemming met als titel “Instemming digitale handhaving Gemeente Amsterdam R551b – Montelbaansbrug en Oudeschans”. In deze brief staat onder meer: “Middels deze brief bevestig ik dat er op 6 juni 2024 instemming is verleend aan gemeente Amsterdam om te starten met digitaal handhaven op de Montelbaansbrug en Oudeschans in Amsterdam met inachtneming van hetgeen de gemeente heeft verklaard in het algemeen proces-verbaal van 11 juni 2024”. De brief is namens de CVOM ondertekend door [naam 2] (beleidsadviseur). In de tweede plaats is een op 6 juni 2024 gedateerde e-mail overgelegd van “Geslotenverklaringen (CVOM)”, met als onderwerp: “Algemeen PV Montelbaan”. In die e-mail staat onder meer: “ Er was wat verwarring over het algemeen PV Montelbaansbrug. Ik begreep dat je nog in afwachting was van onze goedkeuring op het PV. Hierbij geef ik je graag onze goedkeuring. In het algemeen PV vind je nog wel een enkele opmerking van mijn collega (…). Zou je daar nog even naar willen kijken en e.e.a. willen verwerken in de tekst. We zien vervolgens graaf een def. ondertekent [sic] PV verschijnen”. Die e-mail is namens de CVOM ondertekend door een beleidsmedewerker.

5 Naar aanleiding van deze ingebrachte stukken voert gemachtigde in een aanvullend beroepschrift d.d. 19 augustus 2026 primair aan dat deze stukken niet zien op de aanvang van de digitale handhaving én dat zelfs de instemming ten aanzien van het algemeen proces-verbaal (voor zover relevant) niet kan worden aangetoond. Gemachtigde persisteert in zijn stelling dat de instemming van het Openbaar Ministerie met de digitale handhaving ontbreekt, want de door ingebrachte instemming heeft een datum gelegen nadat de handhaving heeft plaatsgevonden.

Voor het geval de kantonrechter mocht oordelen dat de e-mail van 6 juni 2024, ondanks het voorgaande, wel als toereikende instemming met de digitale handhaving heeft te gelden, wordt namens betrokkene subsidiair betwist dat degene die deze e-mail heeft verzonden bevoegd was om namens de CVOM een dergelijke, voor de burger bindende instemming te verlenen.

6 Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat voldoende is gebleken dat sprake is van instemming van het Openbaar Ministerie met de digitale handhaving, nu een door een daartoe bevoegde beleidsmedewerker ondertekend document is ingebracht waaruit dit blijkt. De Regeling bevat namelijk geen voorschrift over de persoon, rang of functie van de medewerker binnen het Parket CVOM die deze taak moet vervullen. Verweerder verwijst naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 27 augustus 2026, 12028925 MB VERZ 25-7863.

7 Het volgende wordt overwogen.

Ten aanzien van de instemming van het Openbaar Ministerie:

8 Anders dan door gemachtigde is aangevoerd, blijkt uit de door verweerder ingebrachte stukken voldoende dat er voor de desbetreffende pleeglocatie instemming is verleend. In de op 4 augustus 2026 gedateerde brief staat immers dat er op 6 juni 2024 instemming is verleend.

Subsidiair heeft gemachtigde nog de bevoegdheid betwist van degene die de instemming heeft verleend. Maar ook hierin wordt gemachtigde niet gevolgd. In de eerste plaats is een dergelijke algemene betwisting tegenover de door verweerder overgelegde stukken niet voldoende. Dat de brief namens de CVOM door een beleidsmedewerker is verstuurd, maakt dat niet anders. Daar komt bij dat in eerdere zaken reeds is geoordeeld dat de CVOM het geven van instemming bij haar beleidsmedewerkers heeft belegd. De kantonrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9662.

Ten aanzien van de gedraging:

9 Gemachtigde voert aan dat betrokkene geen bord C2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 is gepasseerd. Betrokkene zou namelijk vanaf de zuidwestelijke kant de Oudeschans zijn ingereden en niet vanuit de noordoostelijke kant.

10 Op de zitting van 12 mei 2026 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de gedraging op grond van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld. Dat betrokkene geen bord C2 is gepasseerd is niet aannemelijk gemaakt. Het had betrokkene bij het kruispunt duidelijk moeten zijn dat het een eenrichtingsweg betrof. Gelet hierop verzoekt verweerder de kantonrechter om het beroep ongegrond te verklaren.

11 Uit het zaakoverzicht blijkt dat de overtreding langs de elektronische weg is geconstateerd en op digitale foto is vastgelegd door een camera die na het bord C2 is geplaatst. De borden C2 zijn voorzien van de onderborden: ‘Uitgezonderd (brom)fietsers (pictogrammen)’ en het symbool van een camera. De camera heeft vastgelegd dat het voornoemde voertuig uit de noordoostelijke richting van de Kalkmarkt kwam en reed in de zuidwestelijke richting naar de Recht Boomsloot. De camera heeft vastgelegd dat het betrokken voertuig het voor hem bedoelde C2-bord negeerde en de geslotenverklaring in reed. De juiste plaatsing van de verkeersborden wordt maandelijks geschouwd door een boa.

12 In het dossier bevinden zich twee schouwrapporten van de bebording, daterend van 22 oktober 2024 en 14 november 2024 en hieruit blijkt dat de relevante bebording, namelijk bord C2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990, op beide momenten ter plaatse aanwezig was en conform de wet en regelgeving was geplaatst.

13 Dat betrokkene vanaf de zuidwestelijke kant zou zijn komen aangereden is niet aannemelijk gemaakt, nu het voertuig is gefotografeerd aan de achterzijde nadat het bord C2 is gepasseerd. Het bord bevindt zich rechts op de foto. In dat geval kan betrokkene alleen vanaf de noordoostelijke richting zijn gekomen en moet dan het bord C2 zijn gepasseerd. Het verweer faalt. De boete is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

14 Gelet op de uitkomst van de procedure wordt voor een toekenning van een proceskostenvergoeding, zoals namens betrokkene is verzocht, geen aanleiding gezien.

15 Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

De griffier De kantonrechter

Datum verzending

Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.

Aangehaalde uitspraken