Rb. Amsterdam 28 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3497
Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de strafvervolging van feit 4, omdat dit feit is verjaard. Verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 1 en 2. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, verdachte eveneens een beroep toekomt op de exceptie van de artikelen 139a Sr en 139b Sr. Het handelen van verdachte is daarom niet strafbaar op grond van de artikelen 139a Sr en 139b Sr. Nu niet is bewezen dat verdachte in strijd met voornoemde artikelen heeft gehandeld kan het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in de zin van artikel 139e Sr niet worden bewezen. Gelet hierop wordt verdachte van feit 3 vrijgesproken.
De uitspraak op rechtspraak.nl