Rb. Amsterdam 14 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7133

Pools VV-EAB. Tussenuitspraak. De opgeëiste persoon wordt gelijkgesteld met een Nederlander. De door Polen verstrekte terugkeergarantie is voldoende. Ten aanzien van de problematiek rondom de detentieomstandigheden in de Poolse voorlopige hechtenis neemt de aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet weg. De rechtbank stelt vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van haar grondrechten bestaat. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Hoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), acht de rechtbank het niet geheel ondenkbaar dat aanvullende informatie met betrekking tot de hierboven genoemde zorgelijke aspecten, mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat zij bij de vaststelling van een individueel reëel gevaar de beslissing over de overlevering zonder meer moet aanhouden. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden is opgetreden. De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op maximaal 30 dagen. Na deze termijn zal de vordering opnieuw op een openbare zitting worden behandeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken