Rb. Amsterdam 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6476
De vraag is of Heineken en AB (een Griekse (achter)kleindochter van Heineken) aan te merken zijn als een onderneming (undertaking) in de zin van artikel 102 VWEU. In het kader van de bevoegdheid van deze rechtbank zijn door de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. De rechtbank oordeelt dat op die uitspraak niet hoeft te worden gewacht. De rechtbank komt op grond van een hele serie uitspraken van het HvJEU en de feitelijke gang van zaken tot het oordeel dat Heineken en AB inderdaad deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus van dezelfde onderneming in de zin van het mededingingsrecht. Heineken is hoofdelijk aansprakelijk voor het misbruik van machtspositie dat ten aanzien van AB reeds door de Griekse mededingingsautoriteit is vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 6 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7822
- Hof Amsterdam 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2570
- Hof Amsterdam 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2571
- HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965
- Rb. Amsterdam 21 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6557
- HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:660
- Rb. Amsterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1577
- Rb. Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4890
- Rb. Amsterdam 25 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2866
- Hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:509
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753
- Rb. Amsterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3203
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:666
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:536
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:270
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:684
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:605
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:204
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:73
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:800