Rb. Amsterdam 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6476

De vraag is of Heineken en AB (een Griekse (achter)kleindochter van Heineken) aan te merken zijn als een onderneming (undertaking) in de zin van artikel 102 VWEU. In het kader van de bevoegdheid van deze rechtbank zijn door de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. De rechtbank oordeelt dat op die uitspraak niet hoeft te worden gewacht. De rechtbank komt op grond van een hele serie uitspraken van het HvJEU en de feitelijke gang van zaken tot het oordeel dat Heineken en AB inderdaad deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus van dezelfde onderneming in de zin van het mededingingsrecht. Heineken is hoofdelijk aansprakelijk voor het misbruik van machtspositie dat ten aanzien van AB reeds door de Griekse mededingingsautoriteit is vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken