Rb. Amsterdam 4 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5747
Boek 1. Vervangende toestemming erkenning. Gezamenlijk gezag. De man heeft een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet. Of erkenning door de man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind wordt, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het Nederlandse recht. Het is onduidelijk welke nationaliteit de vrouw bezit. Artikel 10:95 lid 3 BW bepaalt dat het recht van toepassing is van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. Ingevolge artikel 10:95, vierde lid, BW is bepalend het tijdstip van de toestemming. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is Nederlands recht van toepasiing op de (vervaning van de) toestemming van de vrouw voor de erkenning.
De uitspraak op rechtspraak.nl