Rb. Amsterdam 12 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2703

Art. 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, art. 2.5 van de Wet Natuurbescherming, art. 3a en 9 van de Visserijwet 1963, art. 3 van het Reglement zee-en kustvisserij 1977, art. 1a en 12 van de Uitvoeringsregeling visserij, art. 13 en 107 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf en acht overtredingen. Hij heeft zich begeven en gevist in een gebied waar dat was verboden (het zomerrustgebied van het rustgebied Bollen van de Ooster), terwijl hij van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. Ook heeft hij met staand want gevist op zeebaars zonder dat hij daarvoor een vergunning had. Tot slot heeft hij de visvangst overgeladen naar een ander vaartuig. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin vooropgesteld ten koste van de natuur en de visstand. Verdachte is ten aanzien van het misdrijf veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 dient hij per overtreding (in totaal zes overtredingen) een geldboete van € 330,- te betalen. Ten aanzien van feit 4 dient hij per overtreding (in totaal twee overtredingen) een geldboete van € 500,- te betalen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken