Rb. Amsterdam 12 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2104
Kort geding. Deze zaak betreft een grote vastgoedonderneming, opgericht als familiebedrijf. Om het familiekarakter te behouden hebben onder anderen de oprichter (vader) indertijd een Stichting opgericht met twee externe bestuurders. Na het overlijden van vader, de splitsing van het bedrijf tussen gedaagde 1 en dochter, en uitkoop van de broer heeft de rechtbank die Stichting op vordering van gedaagde 1 ontbonden, omdat het doel (bescherming van het familiebedrijf) achterhaald zou zijn. Een kleinzoon (gevoegde partij en zoon van gedaagde 1) van de oprichter heeft daartegen hoger beroep aangetekend. In dit kort geding vorderen de externe bestuurders, met aan hun kant de kleinzoon, om de ontbinding te schorsen, in afwachting van de beslissing van het gerechtshof over de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de liquidatie van de Stichting. Ook vorderen zij betaling van advocatenkosten. De schorsing wordt afgewezen, de geldvordering deels toegewezen. Eerdere uitspraken waar in dit kort geding naar wordt verwezen: ECLI:NL:RBAMS:2023:8785 ECLI:NL:RBAMS:2023:8108
De uitspraak op rechtspraak.nl