Rb. Amsterdam 8 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8890
Tussenvonnis. Bestuurdersaansprakelijkheid. Faillissement van drie stichtingen, [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3]. De curator maakt de bestuurder verschillende verwijten die zien op foutief declareren van zorg. Voor wat betreft [eiser 2] kwalificeert de samenwerking tussen [eiser 2] en Star-MDC (verwijt 1) als kennelijk onbehoorlijk bestuur (2:138 lid 1). Het declareren van medisch specialistische zorg zonder betrokkenheid van medisch specialisten of zonder geldige verwijzing (verwijten 2 en 3), worden niet als zodanig gekwalificeerd. Het onbehoorlijk bestuur terzake de samenwerking met Star-MDC is te kwalificeren als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [eiser 2]. De bestuurder is aansprakelijk voor het boedeltekort behoudens matiging op grond van artikel 2:138 lid 4 BW. Met het oog op matiging wordt de curator opgedragen zich uit te laten over de omvang van het boedeltekort waarbij de curator een reële gemotiveerde inschatting dient te geven van de omvang van de vorderingen zoals hij verwacht die te erkennen. Het door [eiser 3] in rekening brengen van verkeerde tarieven voor zorg geleverd aan niet-Wlz-verzekerden (verwijt 5) kwalificeert niet als onbehoorlijk bestuur. Het declareren van een apart consult bij zwangerschapsafbreking (verwijt 4) valt de bestuurder wel te verwijten. De bestuurder heeft een risico genomen door erop te gokken dat een gunstige interpretatie van de regelgeving juist was, terwijl die interpretatie niet voor de hand lag. Dat risico heeft zich verwezenlijkt, omdat bedragen zijn teruggevorderd. Wat precies is teruggevorderd in verband met dit separaat declareren van consulten, is de rechtbank echter niet duidelijk. De curator wordt in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten, omdat dit mede van belang is voor de vraag of het apart declareren voldoende (materieel) is om te kwalificeren als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:138 BW met persoonlijke aansprakelijkheid tot gevolg. In [eiser 1] kan 2:138 BW niet als grondslag dienen voor aansprakelijkheid, omdat deze stichting niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen in de zin van artikel 2:300a BW (oud). [eiser 1] verrichtte geen concurrerende activiteiten en het is ook niet gebleken dat zij deze kon verrichten. [eiser 1] was alleen een kostenentiteit en verleende zelf geen (externe) diensten. Uit het verslag van de curator en de enkelvoudige jaarrekening volgt dat de winst nihil was en dat [eiser 1] alleen kosten maakte en doorbelastte. De curator heeft naast artikel 2:138 BW ook de kelen 2:9 BW en 6:162 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De rechtbank houdt de beslissingen hierover aan.
De uitspraak op rechtspraak.nl