Rb. Amsterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1061
Roemeens vervolgings-EAB. Start beslistermijn ex artikel 22 OLW. De rechtbank overweegt dat uit artikel 27 jo. 31 van het Besluit SIS II (Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007) volgt dat een in SIS II opgenomen signalering, waarbij een kopie van het originele EAB is gevoegd, dezelfde gevolgen heeft als een krachtens het Kaderbesluit 2002/584/JBZ uitgevaardigd EAB. Ook in dit geval was de signalering van de opgeëiste persoon in SIS II opgenomen, met daarbij gevoegd het originele EAB. Zolang echter geen Nederlandse of Engelse vertaling van het EAB is ontvangen, is niet voldaan aan artikel 2, vierde lid, OLW, zodat de opgeëiste persoon niet kan worden aangehouden op grond van artikel 21, eerste lid, OLW. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu de signalering dezelfde gevolgen heeft als een EAB, de beslistermijn - en de daarmee samenhangende termijn van vrijheidsbeneming - moet worden berekend vanaf het moment van de voorlopige aanhouding. Indien immers zou worden uitgegaan van de datum van omzetting van de voorlopige aanhouding in een aanhouding overeenkomstig artikel 21, derde lid, zou de beslistermijn en dientengevolge de termijn van overleveringsdetentie afhankelijk zijn van een min of meer toevallige omstandigheid (de snelheid van aanlevering van een vertaling). Dit acht de rechtbank niet alleen in strijd met artikel 31 Besluit SIS II, dat de gevolgen van een signalering als bedoeld in die bepaling niet afhankelijk maakt van de aanwezigheid van een vertaling, maar ook oneigenlijk en onwenselijk. Nu SIS II in de plaats is getreden van SIS brengt een Unierechtconforme uitleg van artikel 4, eerste en vierde lid, OLW mee dat bij een voorlopige aanhouding op basis van een signalering in SIS II zoals bedoeld in artikel 31 Besluit SIS II de rechtbank uiterlijk zestig dagen na die voorlopige aanhouding uitspraak moet doen, behoudens verlenging van die termijn overeenkomstig artikel 22 OLW.
De uitspraak op rechtspraak.nl