Rb. Amsterdam 9 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5437
Verlenging van de aanhouding op grond van artikel 37 OLW voor bepaalde tijd toegestaan. Artikel 37, derde lid, OLW bepaalt dat een verlenging van de - door de officier van justitie reeds verlengde - aanhouding alleen kan geschieden wanneer de feitelijke overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van zes dagen heeft kunnen plaatshebben. De vraag die voorligt, is of de omstandigheden die de officier van justitie heeft aangedragen als bijzonder in de zin van artikel 37, derde lid, OLW kunnen worden aangemerkt. Daartoe dient genoemd artikel(lid) te worden uitgelegd en wel conform het Kaderbesluit 2002/584 van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit). Artikel 23 van het Kaderbesluit bepaalt dat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon uiterlijk tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet plaatsvinden. Als gevolg van de genoemde moeizame communicatie met de (Franstalige) Belgische uitvaardigende autoriteit heeft de feitelijke overlevering weliswaar niet binnen de (verlengde) termijn van aanhouding van zes dagen kunnen plaatsvinden, maar met de thans geplande feitelijke overdracht op 15 september 2022, wordt in elk geval binnen de termijn van artikel 23 van het Kaderbesluit gebleven. Deze termijn loopt immers tot en met 17 september 2022. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een verlenging van de aanhouding wegens bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd, zij het tot en met 17 september 2022.
De uitspraak op rechtspraak.nl