Rb. Amsterdam 16 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5436
Vordering tot verlenging van de aanhouding op grond van artikel 37 OLW is afgewezen. Artikel 37 lid 3 OLW bepaalt dat een verlenging van de termijn van aanhouding alleen aan de orde is wanneer de feitelijke overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van zes dagen heeft kunnen plaatshebben. Of de omstandigheden die de officier van justitie heeft aangedragen als ‘bijzonder’ in de zin van artikel 37 lid 3 OLW kunnen worden aangemerkt, vergt een uitleg van dat artikellid. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de vereiste kaderbesluitconforme uitleg van artikel 37 lid 3 OLW met zich dat, zolang binnen de in artikel 23 lid 2 Kaderbesluit genoemde termijn voor feitelijke overlevering wordt gebleven, de vereiste ‘bijzondere omstandigheden’ niet het niveau van overmacht hoeven te halen. In het geval die termijn evenwel is verstreken, zoals in de voorliggende zaak het geval is, zal echter wel sprake moeten zijn van overmacht, dus van abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die zich hebben voorgedaan buiten toedoen van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden (vgl. het hiervoor genoemde arrest van 25 januari 2017, Vilkas, onder punt 53, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van overmacht en daarmee niet van ‘bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in artikel 37 OLW. Het is weliswaar een feit van algemene bekendheid dat met het regelen van een voorlopige terbeschikkingstelling (VTBS) enige tijd gemoeid gaat, ook omdat de Minister van Justitie erbij moet worden betrokken om de beslissing te nemen, maar die omstandigheid levert op zichzelf geen overmacht op. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet dat een VTBS pas geregeld kan worden als een opgeëiste persoon gedetineerd is. Er had, nu de opgeëiste persoon op 12 september 2022 weer in beeld was, eerst een VTBS kunnen worden aangevraagd, waarna de opgeëiste persoon had kunnen worden aangehouden. In dit geval had dat waarschijnlijk nog veel eerder dan 12 september 2022 gekund, aangezien de opgeëiste persoon zich in het kader van zijn schorsing in de Nederlandse strafzaak op een bij de politie bekend adres bevond. Het voorgaande betekent dat de vordering tot verlenging van de termijn dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komt.
De uitspraak op rechtspraak.nl