Rb. Amsterdam 3 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:356
Vormverzuim ex artikel 359a Sv. Bewijsuitsluiting wegens het onrechtmatig binnentreden van een woning. Het enkele feit dat verdachte uit de richting van een straat kwam lopen, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de sleutels, die verdachte ten tijde van zijn fouillering en aanhouding bij zich droeg, horen bij en toegang geven tot een woning gelegen aan die straat. De verbalisant heeft de sleutels direct en alleen geprobeerd op het slot van de centrale toegangsdeur van het flatgebouw in die straat, terwijl er meerdere woningen in die straat staan. Nadat bleek dat de sleutels paste op het slot van die centrale toegangsdeur, leerde navraag in de politiesystemen dat er niemand op de nummers 41 en 45 stond ingeschreven. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze informatie, de verbalisanten niet zonder meer tot de conclusie konden komen dat de sleutels die bij verdachte zijn aangetroffen, bij die specifieke woning hoorden of dat het perceel op nummer 41 van die straat de woon- of verblijfplaats van verdachte was. Dit geldt temeer nu verdachte op geen enkele wijze heeft aangegeven in die straat op nummer 41 te Amsterdam woonachtig te zijn en ook nog een andere sleutel op zak bleek te hebben. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de schriftelijke machtiging alvorens het binnentreden is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het enkele feit dat verdachte € 2.600,- contant geld, twee telefoons en sleutels bij zich had, niet worden geconcludeerd dat sprake was van een situatie waarbij binnentreding ter voorkoming of bestrijding van ernstig of onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen noodzakelijk was, zodat een schriftelijke machtiging tot binnentreden niet was vereist. Voor zover de schriftelijke machtiging toch vóór het daadwerkelijke binnentreden was gegeven, hetgeen niet is te controleren nu een tijdstip op de schriftelijke machtiging ontbreekt en dit ook niet in een ander proces-verbaal in het dossier is geverbaliseerd, blijkt uit het dossier niet dat het binnentreden van de woning redelijkerwijs was vereist of dringend noodzakelijk was. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank immers ook niet worden afgeleid uit het enkele feit dat verdachte € 2.600,- contant geld, twee telefoons en sleutels van die woning bij zich had.
De uitspraak op rechtspraak.nl