Rb. Amsterdam 26 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:8075
Schorsing overleveringsdetentie nadat de rechtbank de overlevering heeft toegestaan. Weliswaar is er sprake van (matig) vluchtgevaar, maar dit kan worden ingeperkt door het stellen van schorsingsvoorwaarden. Dit leidt tot de conclusie dat de vrijheidsbeneming van deze opgeëiste persoon nadat de overlevering is toegestaan, in de onderhavige zaak niet noodzakelijk is als bedoeld in artikel 52 lid 1 Handvest teneinde op termijn zijn voorlopige terbeschikkingstelling of feitelijke overlevering te realiseren en het voortduren van de overleveringsdetentie zich daarom niet verdraagt met artikel 6 van het Handvest. Voor haar oordeel dat het vluchtgevaar d.m.v. voorwaarden kan worden ingeperkt acht de rechtbank van belang dat: • de overlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan t.b.v. een strafvervolging voor betrokkenheid bij een hennepplantage, waarbij de medeverdachte na een kort voorarrest is geschorst door de Belgische autoriteiten en er geen duidelijkheid over de hoogte van een mogelijke straf bestaat; • twee openstaande Nederlandse strafzaken een langdurig beletsel vormen voor de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon; • de Belgische autoriteiten weigeren mee te werken aan een voorlopige terbeschikkingstelling; • de opgeëiste persoon over een vaste woon- en verblijfplaats en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur beschikt; • t.b.v. de opgeëiste persoon een terugkeergarantie is verstrekt, die hij teniet zal doen indien hij zich aan zijn schorsingsvoorwaarden onttrekt door Nederland te verlaten; • de opgeëiste persoon zich tot aan de uitspraak van de rechtbank stipt op het overleveringsverzoek aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl