Rb. Amsterdam 6 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5919

Overlevering, rechterlijke toetsing van het bevel tot inverzekeringstelling. Tijdens het verhoor bij de officier van justitie is aan de advocaat van de opgeëiste persoon een brief verstrekt van de voorzitter van de Internationale Rechtshulp Kamer. In deze brief is onder andere vermeld dat de rechterlijke toetsing van de door de officier van justitie bevolen inverzekeringstelling voortaan, anders dan voorheen, buiten zitting plaatsvindt. Ook is gewezen op de mogelijkheid om – als de advocaat van oordeel is dat de beslissing tot inverzekeringstelling van de officier van justitie in het kader van deze toetsing moet worden opgeheven – dit schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te maken. In voornoemde brief is benadrukt dat bij onderhavige (beperkte) rechterlijke toets enkel wordt onderzocht of de overleveringsdetentie al dan niet moet worden opgeheven. Inhoudelijke verweren aangaande het EAB kunnen tijdens de inhoudelijke (meervoudige) behandeling worden gevoerd. Voorts is meegedeeld dat – los van onderhavige toets – te allen tijde op de gebruikelijke wijze, schriftelijk, gemotiveerd en met stukken onderbouwd een verzoek tot opheffing en/of schorsing van de overleveringsdetentie bij de rechtbank kan worden ingediend, waarna dit verzoek zo spoedig mogelijk zal worden gepland en behandeld op één van de raadkamerzittingen van de Internationale Rechtshulp Kamer. De door de raadsman gevoerde verweren, inhoudend dat de staandehouding voorafgaande aan de aanhouding op basis van de Overleveringswet onrechtmatig was en dat de opgeëiste persoon voorafgaande aan de inverzekeringstelling door de hulpofficier van justitie geen advocaat heeft kunnen consulteren, ondanks het feit dat hij daarvan geen afstand had gedaan, slagen niet. De overleveringsdetentie dient te worden voortgezet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken