Rb. Amsterdam 22 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3856
Het OM heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een boete van € 95 wegens overtreding van de mondkapjeplicht in het openbaar vervoer in september 2020. De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de Noodverordening hebben de vervoerders maatregelen moeten treffen die ervoor moeten zorgen dat reizigers in het openbaar vervoer vanaf 1 juni 2020 een mondkapje dragen. De vervoerder heeft de mondkapjeplicht o.a. kenbaar gemaakt op affiches bij de ingangen op het station. Verdachte heeft deze aanwijzing niet opgevolgd, en daarmee artikel 73 van de Wet personenvervoer 2000 overtreden. Voor zover de mondkapjesplicht inbreuk maakt op een grondrecht, is deze inbreuk beperkt en gerechtvaardigd. Beperkt werd de keuzevrijheid ten aanzien van het wel of niet dragen van een mondkapje, of ten aanzien van het wel of niet gebruikmaken van het openbaar vervoer. Daar staat tegenover dat de vervoerder het recht heeft aanwijzingen te geven betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang. De vervoerder had een goede reden voor deze aanwijzing. De coronacrisis duurde voort, en de vervoerder werd in de Noodverordeningen opgedragen maatregelen te treffen zodat vanaf 1 juni 2021 alle reizigers van 13 jaar en ouder in het openbaar vervoer een niet-medisch mondkapje zouden dragen. De vervoerder is bij het invoeren van de mondkapjeplicht zorgvuldig te werk gegaan. Hij heeft over de invoering van de mondkapjeplicht vooraf afspraken gemaakt met verschillende betrokken partijen, zoals het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, provincies en consumentenorganisaties. De vervoerder heeft ook met de politie afspraken gemaakt over toezicht en handhaving van de mondkapjeplicht. Deze afspraken liggen vast in het Protocol en de Handreiking. De vervoerder heeft de mondkapjesplicht bovendien duidelijk kenbaar gemaakt. Bij de beoordeling van de vraag wanneer moet worden gehandhaafd, heeft de verbalisant een ruime discretionaire bevoegdheid. Maar daarbij moet wel worden gehandeld overeenkomstig de geldende richtlijnen. De richtlijnen liggen vast in het Protocol en de Handreiking, en hebben de status van extern beleid. Uit dit beleid volgt dat het uitgangspunt bij de handhaving is dat verbalisanten toezicht houden, en niet actief overtredingen van de mondkapjeplicht beboeten. Hierdoor kan het vertrouwen zijn gewekt dat pas een boete kan worden opgelegd als geen mondkapje is opgezet nadat een waarschuwing is gegeven. Er geldt dus een waarschuwingsplicht voor de verbalisant. In deze zaak is niet gebleken dat de verbalisant eerst heeft gewaarschuwd, en dat is in strijd met het handhavingskader. Niet is uit te sluiten dat verdachte een mondkapje zou hebben opgezet als de verbalisant haar eerst had gewaarschuwd, dus legt de kantonrechter geen straf op.
De uitspraak op rechtspraak.nl