Rb. Amsterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2995
Gemeente mocht exploitatievergunningen passagiersvaart niet intrekken. B&W zijn in beginsel bevoegd om de exploitatievergunningen van passagiersvaartuigen in te trekken, indien deze gedurende een periode van 12 maanden niet gebruikt worden. Dat deze bevoegdheid bestaat, maakt nog niet dat ook in deze gevallen in redelijkheid tot de intrekking over kon worden gegaan. Door alle eerdere procedures en daaropvolgende beleidsveranderingen was er pas in mei 2019 duidelijkheid voor exploitanten van passagiersvaartuigen over het te voeren beleid. Het kan de exploitanten dan ook niet worden tegengeworpen dat zij de vergunning niet eerder in gebruik hebben genomen of vóór het voornemen tot intrekking van 2 juli 2019 geen reële onomkeerbare voorbereidingshandelingen hebben getroffen. De termijn tussen het vaststellen van de Nota Varen – deel 1 en het voornemen tot intrekking was zeer kort. De exploitanten hadden binnen twee maanden na het vaststellen van het beleid onomkeerbare voorbereidingshandelingen moeten treffen. De intrekking was dan ook niet redelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl