Rb. Amsterdam 29 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1381
Aan verdachten is ten laste gelegd dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord door in de periode van 1 november 2018 t/m 9 december 2019 peilbakens, camera’s, geheugenkaarten met beeldmateriaal, auto’s en DHL-jassen voorhanden te hebben, welke voorwerpen waren bestemd tot het begaan van moord. Daarnaast wordt verdachte verweten dat zij hebben deelgenomen aan een criminele organisatie en dat ieder van hen zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet kan worden bewezen dat de ten laste gelegde voorwerpen waren bestemd tot het begaan van een moord. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachten bezig waren met het voorbereiden van een moord. Verdachten worden daarom worden vrijgesproken van voorbereiding van moord en van deelnemingame aan een criminele organisatie die het plegen van moord en de voorbereiding daarvan tot oogmerk had. Wel is bewezen dat verdachten zich ieder hebben bezig gehouden met het witwassen van waardevolle voorwerpen en van geldbedragen. De rechtbank acht dit bewezen omdat op grond van het dossier sprake is van een verdenking dat deze voorwerpen en geldbedragen een criminele herkomst hebben en omdat wat verdachten hierover hebben aangevoerd niet voldoende concreet en verifieerbaar is om deze verdenking te kunnen weerleggen. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2021:1382
De uitspraak op rechtspraak.nl