Rb. Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5707

Eindvonnis in een van de twee zaken waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad over de overdraagbaarheid van vorderingen van een bank aan een niet-bank (zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276). Uit de door de Hoge Raad gegeven antwoorden is af te leiden dat de aard van het vorderingsrecht zich niet verzet tegen overdraagbaarheid. Dat betekent dat de cessie van de vordering op Alegre c.s. door Van Lanschot aan Promontoria geldig is geweest. Vast staat dat Alegre c.s. ten tijde van de cessie reeds een betalingsachterstand had en dat deze vervolgens in een periode van oktober 2015 tot januari 2017 nog aanzienlijk is toegenomen. De mogelijkheid van herfinanciering is besproken, maar dit is niet mogelijk is gebleken. Op grond van deze gang van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat Promontoria door in de gegeven omstandigheden gebruik te maken van de overeengekomen bevoegdheid tot opzegging van het krediet, niet heeft gehandeld op een manier die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat zij de op haar als niet-bank rustende “eigen zorgplicht” niet heeft geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken