Rb. Amsterdam 23 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:339
De opgeëiste persoon heeft 29 dagen in overleveringsdetentie gezeten. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding toegewezen. Vast staat dat het recht op tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf ten tijde van het uitvaardigen van het EAB al bijna vier jaar was verjaard. De officier van justitie en de uitvaardigende Portugese autoriteit hebben dit 29 dagen na aanvang van de detentie van verzoeker ingezien en hebben om die reden de vordering respectievelijk het EAB ingetrokken. Een en ander dwingt tot de conclusie dat aan het EAB een niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag lag en dat dit EAB dus nooit tot overlevering van verzoeker had kunnen leiden. De overlevering van verzoeker op grond van het EAB was van meet af aan evident ontoelaatbaar en de onvermijdelijke weigering door de rechtbank is de enige reden geweest voor de intrekking van de vordering en het EAB. Onder deze omstandigheden moet de intrekking van de vordering en het EAB voor de toepassing van artikel 67 lid 1 van de OLW worden gelijkgesteld met een weigering van de overlevering door de rechtbank. Uit het gegeven dat achteraf is komen vast te staan dat verzoeker onterecht heeft vastgezeten, volgt in beginsel dat er gronden van billijkheid zijn om hem een schadevergoeding toe te kennen. Feiten of omstandigheden die erop duiden dat verzoeker zelf verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van zijn detentie of die anderszins afdoen aan de billijkheid van toekenning van een schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken. De hoogte daarvan is niet betwist en op zichzelf redelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl