Rb. Amsterdam 10 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9923

De rechtbank stelt allereerst vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een uitspraak van een rechter waarin de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van EAB I, omdat het EAB is uitgevaardigd door een niet-rechterlijke autoriteit, te weten een Duitse officier van justitie. Verder stelt de rechtbank vast dat de door de opgeëiste persoon op grond van EAB I ondergane overleveringsdetentie als onterecht ondergaan moet worden gekwalificeerd. Dit EAB had – gelet op het arrest van 27 mei 2019 van het HvJ EU in de zaken C-508-18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) – nimmer tot overlevering kunnen leiden. De reden dat de overleveringsprocedure is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie - en niet in een weigering van de overlevering - is gelegen in de omstandigheid dat de uitvaardiging van een EAB door een niet-rechterlijke autoriteit niet voorkomt onder de limitatieve weigeringsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitspraak in deze zaak daarom worden gelijkgesteld aan een beslissing als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW, strekkende tot weigering van de overlevering. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het billijk om het verzoek tot schadevergoeding toe te wijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken