Rb. Amsterdam 22 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6259
Overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging. Het EAB is uitgevaardigd door een Zweedse officier van justitie. De rechtbank stelt prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel (“uitvaardigende rechterlijke autoriteit”): Kan een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, die in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreedt en die een EAB heeft uitgevaardigd als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ worden aangemerkt, indien een rechter in de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EAB en, met name, de evenredigheid daarvan heeft beoordeeld voorafgaand aan de daadwerkelijke beslissing van die officier van justitie om het EAB uit te vaardigen?
De uitspraak op rechtspraak.nl