Rb. Amsterdam 7 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5729
Prejudiciële vragen over overdraagbaarheid vordering van bank op niet-bank. Eisers in twee zaken (waarvan dit er een is) zijn cliënten van F. Van Lanschot Bankiers N.V. Op 30 september 2015 heeft Promontoria de zakelijke vastgoedleningen, die waren ondergebracht bij de Afdeling Bijzonder Beheer Vastgoed van de divisie Corporate Banking bij Van Lanschot overgenomen van Van Lanschot. Deze Overdracht betrof een activa-passiva transactie, die betrekking had op een kredietportefeuille ter waarde van nominaal circa € 400 miljoen, tegen een koopprijs van circa € 260 miljoen. Promontoria stelt dat hierbij sprake is geweest van contractsoverneming, waarbij de cliënten bij voorbaat toestemming hebben gegeven op grond van het bepaalde in artikel 36 van de ABV. De cliënten betwisten dat. Ook betwisten zij dat cessie heeft plaatsgevonden, waarbij zij aanvoeren dat de vorderingen van een bank op haar cliënten naar hun aard niet overdraagbaar zijn aan een niet-bank. In het tussenvonnis van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3918) heeft de rechtbank beslist dat er aanleiding is voor het stellen van vragen. Nadat partijen op dat voornemen en de te stellen vragen gereageerd hebben, worden de vragen thans gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl