Rb. Amsterdam 10 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8757

Uitspraak in het onderzoek Trust EU, tegen twee directeuren en vier vennootschappen van het trustkantoor. Het kernverwijt op de tenlastelegging is dat een voormalig trustkantoor doorstroomstructuren aanbood terwijl dit in wezen schijnconstructies waren, waarmee onder meer fiscale fraude en corruptie werden gefaciliteerd. De rechtbank acht dit in negen van de tien zaaksdossiers bewezen; in werkelijkheid deden het trustkantoor niets meer dan facturen versturen en de daarop ontvangen betaalde bedragen doorsluizen naar offshore vennootschappen. Ook werden op grote schaal overeenkomsten en facturen geantedateerd, om werkzaamheden die al waren voltooid alsnog via het trustkantoor te laten factureren of om royalties in rekening te brengen over een periode waarin het trustkantoor nog geen IE-rechten bezat. Gepoogd werd om een en ander af te dekken door middel van onderliggende overeenkomsten. Door de winsten van klanten weg te sluizen naar offshore vennootschappen werden structureel grote hoeveelheden geld witgewassen. De rechtbank acht bewezen dat twee directeuren zich als feitelijk leidinggever daaraan hebben schuldig gemaakt. Gedurende ruim tien jaar hebben zij aldus in georganiseerd verband als verdienmodel schijnstructuren aan cliënten aangeboden en uitgevoerd. De rechtbank merkt dit samenwerkingsverband aan als een criminele organisatie en acht bewezen dat deze directeuren daaraan hebben deelgenomen. Met deze zaken zijn grote bedragen gemoeid. Alleen al met de constructies in de bewezenverklaarde zaaksdossiers is in de loop der jaren ten minste 40 miljoen euro en 15 miljoen dollar binnengekomen. Voor het trustbedrijf was dit een zeer lucratieve bezigheid. Op de ontvangen bedragen werd een commissie van zo’n 5 % ingehouden, voordat deze werden doorbetaald naar de offshores. De rechtbank vindt dat de directeuren door hun strafbare handelswijze schade hebben toegebracht aan het vertrouwen in de financiële sector waarin zij werkzaam waren. Van de trustsector wordt verwacht dat niet alleen aan formele verplichtingen wordt voldaan, maar ook dat de mensen die er werken ervoor zorgen dat die sector verschoond blijft van dergelijk misbruik van structuren. Bovendien zorgt dit handelen voor concurrentievervalsing ten opzichte van trustkantoren die wel voldoen aan de strenge vereisten en zorgplichten en onder toezicht van DNB staan. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 1 jaar, waarvan de helft voorwaardelijk en een beroepsverbod van drie jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/845014-11 (Promis)
Datum uitspraak: 10 december 2018
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
met correspondentieadres [adres] , Verenigde Arabische Emiraten.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

24, 25, 26 en 27 september 2018,
1, 2, 3 en 4 oktober 2018 en
10 december 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.J. Hart en C.P.W. Kok (hierna: officier van justitie) en van wat [verdachte] , die zijn eigen verdediging voert, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 2002 tot en met 2013 op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en witwassen. Dit zou [verdachte] tezamen met anderen hebben gedaan en/of zou hij hieraan feitelijk leiding hebben gegeven. Daarnaast wordt hem deelname aan een criminele organisatie verweten.

Bij de bespreking van de afzonderlijke feiten zal concreter worden ingegaan op de beschuldiging. De integrale tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht als bijlage.

3 De voorvragen

[verdachte] heeft meerdere verweren gevoerd die volgens hem strekken tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie. De rechtbank zal hieronder die verweren behandelen.

3.1 Overschrijding van de redelijke termijn
[verdachte] heeft aangevoerd dat de redelijke termijn in deze zaak (ruimschoots) is overschreden, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in deze zaak niet is geschonden. Hoewel het onderzoek vanwege de omvang en complexiteit meerdere jaren heeft geduurd, is van een langere periode van inactiviteit door de justitiële autoriteiten in al die tijd geen sprake geweest.
De rechtbank is, met [verdachte] , van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. Uitgangspunt is dat binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen vonnis wordt gewezen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Die omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voor, gelet op de uitzonderlijke omvang van het FIOD onderzoek en de hoeveelheid onderzoekshandelingen die, deels op verzoek van de verdediging, door de rechter-commissaris zijn verricht.
De rechter-commissaris heeft op 6 februari 2017 de laatste getuigen gehoord. Nadien heeft het nog ruim anderhalf jaar geduurd voor de zaak op zitting kwam.
De rechtbank stelt vast dat de termijn is gaan lopen op het moment van de aanhouding van [medeverdachte] op 30 september 2013. Sindsdien is ruim 5 jaar verstreken. De rechtbank ziet hierin aanleiding een overschrijding van de redelijke termijn aan te nemen van 12 maanden.
Volgens vaste jurisprudentie leidt deze overschrijding echter niet tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie, maar tot strafvermindering. Bij een eventuele strafoplegging zal de rechtbank hiermee rekening houden.

3.2 Détournement de pouvoir
[verdachte] heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij gebruik heeft gemaakt van onbevoegde opsporing en de zaak is gestart na aandringen van friends in high places. Ook zou op rechtshulpverzoeken valse informatie zijn vermeld, die heeft geleid tot het verkrijgen van stukken, immers het Openbaar Ministerie heeft het doen voorkomen alsof het om commune delicten ging, zodat eventuele fiscale beperkingen omzeild konden worden.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen opsporingshandelingen zijn verricht door personen die daartoe niet bevoegd waren. [naam 1] is weliswaar de aanjager geweest van de start van dit onderzoek, maar geen rechtsregel verbiedt dat. Tijdens het voorbereidend onderzoek is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie en de FIOD de zaak niet onafhankelijk en naar objectieve maatstaven hebben beoordeeld. De rechtshulpverzoeken zijn uitgedaan naar aanleiding van de omvang van de valsheden die zijn geconstateerd. Nederland treedt op tegen bedrijven die in Nederland in de financiële sector werkzaam zijn en van valsheid in geschrift hun dagelijks werk maken, aldus de officier van justitie.
De rechtbank verwerpt het verweer. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek is gestart naar aanleiding van het herhaaldelijk aandringen door [naam 1] , maar dat maakt niet dat de officier van justitie op grond van artikel 167 Sv geen recht (meer) heeft om tot vervolging over te gaan. Niet-ontvankelijkheid zou slechts aan de orde kunnen zijn als de vervolgingsbeslissing zodanig zou zijn beïnvloed door [naam 1] of anderen dat de vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, maar daarvoor ziet de rechtbank geen aanwijzingen.
Het verwijt dat het Openbaar Ministerie valse informatie heeft vermeld op rechtshulpverzoeken mist feitelijke grondslag. De strafbare feiten waar het onderzoek zich op gericht heeft (en die vervat zijn in de tenlastelegging) zijn geen fiscale maar commune delicten.

3.4 Interpol Red Notice
[verdachte] heeft niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, nu hij ten onrechte opdracht heeft gegeven om de signalering van [verdachte] openbaar te maken. [verdachte] is hierop gewezen door zijn bankdirecteur en heeft aanzienlijke (zakelijke) reputatieschade opgelopen door deze openbaarmaking van de signalering.
De officier van justitie erkent dat bij de signalering de fout is gemaakt om deze openbaar te maken, maar stelt dat dit niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar dat dit verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
De rechtbank is met [verdachte] en de officier van justitie van oordeel dat ten onrechte de signalering van [verdachte] openbaar is gemaakt en dat hierdoor een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Hoewel dit een kwalijke fout is, begaan tijdens het opsporingsonderzoek onder gezag van het Openbaar Ministerie, is hierdoor niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet aan de orde is. Wel zal er rekening mee worden gehouden bij een eventuele strafoplegging.

3.5 Willekeur
[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij kennelijk willekeurig vervolgingsbeslissingen heeft genomen. Personen die leiding gaven, beslissingen namen en voordeel trokken uit de bedrijfsvoering zijn nimmer vervolgd, terwijl andere personen met die status een transactie hebben mogen accepteren. Als [verdachte] wordt vervolgd, hadden die andere personen ook vervolgd moeten worden en nu dat niet is gebeurd, handelt de officier van justitie in strijd met het verbod op willekeur, aldus [verdachte] .
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een vervolgingsbeslissing zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. De rol van [verdachte] , waaronder zijn positie in het Trust EU conglomeraat, zijn directieve aanwijzingen, de financiële vergoeding die hij opstreek, zijn postitie als spin in het web met al zijn contacten, zijn grote verschillen met de door [verdachte] genoemde personen en [verdachte] die het onderscheid rechtvaardigen om [verdachte] te vervolgen, aldus de officier van justitie.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 167 Sv heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid om al dan niet tot vervolging over te gaan.
De beslissing om tot vervolging over te gaan, staat in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van goede procesorde, kan er sprake zijn van verval van het recht tot strafvordering en kan om die reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat vervolging van [verdachte] onverenigbaar is met het verbod op willekeur. De rol en positie van [verdachte] valt niet op één lijn te stellen met die van andere betrokkenen in dit dossier. Het verweer zal daarom worden verworpen.

3.6 Beslaglegging in de Verenigde Arabische Emiraten
[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij op onrechtmatige wijze beschikking heeft gekregen over stukken die in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) in beslag zijn genomen en in het onderhavige onderzoek zijn gebruikt.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat met toestemming van de plaatselijke autoriteiten uitvoering is gegeven aan het rechtshulpverzoek maar dat vervolgens geen gebruik is gemaakt van de inbeslaggenomen stukken uit de VAE zodat er geen aanleiding bestaat om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank stelt vast dat er een rechtshulpverzoek is uitgegaan naar de VAE voor een doorzoeking ter inbeslagname. Aan dit verzoek is door de autoriteiten van de VAE uitvoering gegeven. Van onrechtmatige verkrijging van de stukken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Daarnaast zijn de inbeslaggenomen stukken niet aan het strafdossier toegevoegd en maken daar dus ook geen deel van uit. Nu er geen sprake is van onrechtmatigheden zal het verweer van [verdachte] worden verworpen.

3.7 Verbaliseringsplicht
[verdachte] stelt zich op het standpunt dat de verbaliseringsplicht van de FIOD is geschonden, nu zij onjuistheden hebben geverbaliseerd. Dit zou volgens [verdachte] moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De rechtbank stelt voorop dat het Wetboek van Strafvordering (Sv) geen rechtsgevolgen verbindt aan een schending van de verbaliseringsplicht. Alleen wanneer niet naleving van de verbaliseringsplicht, zo daar hier al sprake van is, een ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde oplevert, kan dat leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie. Van een dergelijke schending is niet gebleken. De rechtbank zal het verweer van
[verdachte] dan ook passeren.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij het standpunt van [verdachte] zo begrijpt dat hij zich niet kan vinden in de conclusies die de FIOD heeft getrokken. Dat de FIOD naar aanleiding van hun onderzoek bepaalde conclusies trekt, maakt niet dat die feiten daarmee vast staan of dat een verbaliseringsplicht is geschonden. De rechtbank zal zelfstandig de feiten en onderzoeksbevindingen, zoals geverbaliseerd, beoordelen.

3.8 Het recht op hoor en wederhoor
[verdachte] stelt dat het recht op hoor en wederhoor niet heeft plaatsgehad, waardoor zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.
De officieren van justitie erkennen dat [verdachte] nooit in zijn strafzaak is gehoord, maar benadrukken dat hij altijd in staat is geweest zijn standpunt kenbaar te maken via de schriftelijke verklaringen die hij heeft opgesteld en die in het dossier zijn gevoegd. Ook de rechtbank heeft [verdachte] op zitting voldoende ruimte gegeven om te verklaren, waardoor niet kan worden gesteld dat zijn recht op hoor en wederhoor is geschonden.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het recht op hoor en wederhoor in deze zaak niet is geschonden. [verdachte] heeft zijn standpunt via diverse memo’s naar voren gebracht, welke memo’s deel uit maken van het dossier, en is ter terechtzitting op de verschillende tenlastegelegde feiten gehoord en uitgebreid in de gelegenheid gesteld om zijn verdediging te voeren. Om die reden zal het verweer worden verworpen en zal de rechtbank bij de beoordeling van de hierna te bespreken feiten de door [verdachte] naar voren gebrachte standpunten betrekken.
De rechtbank stelt overigens vast dat de dagvaarding geldig is en deze rechtbank bevoegd tot is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank ten aanzien van geen van de verweren komt tot niet-ontvankelijkheid van de officieren van justitie, stelt zij vast dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging. Ook is er geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1 . Een korte schets van de zaak
Betrokken personen en vennootschappen
In dit dossier komen regelmatig namen voor van vennootschappen en medewerkers van de
[trustkantoor] groep. In dit vonnis zullen deze personen met hun achternaam worden aangeduid.
Het gaat ten aanzien van de natuurlijke personen onder meer om
[verdachte] ,
[medeverdachte] ,
[naam 2] ,
[naam 3] ,
[naam 4] ,
[naam 5]
[naam 6] .
Van het kantoor in Monaco komt vooral DGA [naam 7] regelmatig in beeld.
Daarnaast zijn onder meer de volgende vennootschappen betrokken.
BHC : Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken "Amstellodamus" BV
GBC : Global Business & Communications (The Netherlands) BV
[naam bv 1] B.V., met ingang van 25 juni 2007 Amstellodamus Real Estate BV
Orient Invest : Orient Invest Ltd.
Met de [trustkantoor] groep wordt bedoeld de groep aan vennootschappen waarvan [verdachte] en [medeverdachte] DGA waren, zoals weergegeven in het dossier in D0420A.
Het kantoor
[verdachte] is begin jaren ‘90 met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) gaan samenwerken.
Binnen het [naam 1] -concern zetten zij het trustkantoor [trustkantoor] op. [verdachte] had ervaring in trustwerk opgedaan bij [naam 8] en bij International Fiscal Services (hierna: IFS). Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) trad in 1997 in dienst bij het trustkantoor [trustkantoor] . [medeverdachte] was vóór [trustkantoor] als fiscalist werkzaam bij [naam 8] .
De vennootschappen die door het trustkantoor [trustkantoor] werden bediend worden aangeduid als doelvennootschap, waarbij iedere ultimate beneficial owner (hierna: UBO) een eigen vennootschap heeft. Gelden stroomden van Europese ondernemingen in landen met een hoog belastingtarief - via de Nederlandse doelvennootschappen - naar offshore vennootschappen in landen met een laag belastingtarief of zelfs zonder belastingheffing. De doorstroomgelden bestonden onder meer uit vergoedingen uit hoofde van intellectuele eigendomsrechten die in (sub)licentie worden gegeven (royalties) of dividenden uit onderliggende deelnemingen. Deze activiteiten worden gecombineerd met de mogelijkheden die het Nederlandse verdragennetwerk ter voorkoming van dubbele belastingheffing biedt.
Binnen het trustkantoor ontstond vanaf medio jaren ‘90 naast de trusttak voor doelvennootschappen de zogeheten handelstak. Binnen de handelstak hadden klanten geen eigen doelvennootschap nodig, maar kon ten behoeve van het doorstromen gebruik worden gemaakt van een vennootschap van het trustkantoor zelf; de inhouse vennootschappen.
Een belangrijk verschil tussen de trusttak en de handelstak was dat bij de handelstakstructuur de diensten van de doorstroomvennootschappen niet vielen onder de in 2004 in werking getreden Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt). Pas door een wetswijziging in 2012 vielen die diensten waarbij ten behoeve van een klant gebruik werd gemaakt van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor ook onder de Wtt. Volgens de Memorie van Toelichting bij die wet, was dit van belang voor de bestrijding van onder meer witwassen.
Een ander verschil tussen de trusttak en de handelstak was het verdienmodel. Binnen de trusttak werd door het trustkantoor gefactureerd aan de klanten op basis van vergoeding van een uurtarief naast bepaalde vaste kosten. Binnen de handelstak bracht het trustkantoor de klant een commissie van doorgaans 5% in rekening van de door te stromen bedragen. Dit was vanwege de hoogte van de gemoeide bedragen veel lucratiever dan het verdienmodel binnen de trusttak.
Bij de splitsing van [trustkantoor] in een trusttak en een handelstak bleef [medeverdachte] zich bezig houden met de trusttak en ging [verdachte] zich met name bezig houden met de handelstak. In de loop der jaren is [medeverdachte] meer betrokken geraakt bij de handelstak.
Rond het jaar 2000 waren de activiteiten van de [trustkantoor] groep uitgebreid met kantoren in Amsterdam, Brussel, Genève, Boedapest, Madrid, Curacao, Jersey, Nevis en Londen. Al deze kantoren hadden een eigen directie die door [verdachte] werden aangestuurd. In 2002 verkreeg [naam 1] aandelen in het Monegaskische trustkantoor Cofimo SAM (hierna: Cofimo). In 2003 verhuisde [verdachte] naar [woonplaats 1] om daar het kantoor in [woonplaats 1] te runnen.
Na het vertrek van [verdachte] werd naast [medeverdachte] , [naam 2] aangesteld als directeur binnen de [trustkantoor] groep. [verdachte] en [naam 1] werden commissaris bij [naam bv 2] Vanaf 2005 werd nauw samengewerkt met de accountant [naam 9] die voordien werkzaam was bij [naam 10] en die inmiddels voorzichzelf was begonnen.
[naam 1] en [verdachte] kwamen in 2004 overeen dat [verdachte] het trustbedrijf zou overnemen. De overname vond plaats in 2005. [verdachte] en [naam 1] raakten echter kort daarna gebrouilleerd en na een gerechtelijke procedure heeft [naam 1] in 2007 weer de beschikking gekregen over de betrokken vennootschappen. Analyse van de aangetroffen gegevens maakte dat [naam 1] vermoedde dat er op grote schaal was gefraudeerd. [naam 1] heeft dan ook in 2007 aangifte gedaan van fraude met betrekking tot de bedrijfsvoering. Nadat deze aangifte niet is opgepakt is opnieuw aangifte gedaan in 2010, waarna het onderzoek uiteindelijk wel is opgepakt door de FIOD.
Start strafrechtelijk onderzoek
Op 11 februari 2011 is door de FIOD in Haarlem het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 11] en andere verdachten ingesteld.
Op 23 maart 2010 is door [naam 1] aangifte gedaan van strafbare feiten die zouden zijn gepleegd door zijn voormalige zakenpartner [verdachte] . Volgens de FIOD zou [verdachte] een constructie hebben bedacht en uitgevoerd waarbij inhouses, gelieerd aan de [naam groep] groep vermoedelijk valse facturen opmaakten, op basis waarvan in de jaren 2002-2013 meer dan 100 miljoen euro door de EU debiteuren is overgemaakt ten gunste van de in Nederland aangehouden bankrekeningen van de inhouses. Deze inhouses zouden de door hen ontvangen factuurbedragen onder inhouding van een fee direct hebben doorgeboekt ten gunste van bankrekeningen van zogenaamde offshore vennootschappen.
De tekenbevoegden c.q. begunstigden van de offshores betroffen vermoedelijk de aan de EU debiteuren gelieerde natuurlijke personen, de zogenoemde Ultimate Beneficial Owners (UBO’s).
Vermoedelijke werkwijze
Volgens de FIOD was de vermoedelijke werkwijze als volgt. Vennootschappen, gevestigd in de EU, die aldaar economische activiteiten verrichtten werden via Cofimo in contact gebracht met de [trustkantoor] groep. Ten behoeve van deze vennootschappen (hierna: EU-debiteuren werd een offshore rechtspersoon opgericht. De DGA van de EU-debiteur was vaak ook de UBO van die offshore, maar dat was niet zonder meer kenbaar voor derden.
Op papier werd het bestaan van een economische relatie voorgewend tussen de offshore en een Nederlandse rechtspersoon, de inhouse, op grond waarvan die inhouse betalingen moet verrichten aan de offshore en de offshore gerechtigd is die betalingen te ontvangen.
Daarnaast werd er tevens een economische relatie voorgewend tussen de oorspronkelijke EU-debiteur en de inhouse vennootschap.
Op grond van de overeenkomsten en facturen werden door de EU-debiteur betalingen aan de inhouse verricht. Die betalingen werden als kosten in de administratie van de EU-debiteur opgenomen, gedekt door facturen van de inhouse. De inhouse sluist de betalingen die zij van het EU bedrijf krijgt, minus een fee, door naar de offshore van de UBO. In de administratie van de EU-debiteur is alleen een kostenpost van de inhouse zichtbaar. Niet zichtbaar is dat het geld naar de offshore wordt geleid.
Men heeft gebruik gemaakt van twee soorten overeenkomsten: een overeenkomst tussen de inhouse en de EU-debiteur op grond waarvan de inhouse diensten verricht voor de EU-debiteur (bijvoorbeeld in zaaksdossier 04 RRD de service agreement) en een overeenkomst tussen de inhouse en de offshore op grond waarvan ofwel de inhouse diensten verricht voor de offshore (agency agreement) ofwel de offshore diensten verricht in naam van de inhouse (nominee agreement, waarbij de inhouse de status van nominee krijgt). De directeur van de inhouse zou op grond van deze nominee agreement bevoegd zijn om op briefpapier van de inhouse overeenkomsten aan te gaan namens de offshore en facturen op haar briefpapier uit te schrijven voor diensten die de offshore verricht.
De offshore beschikte niet over personeel en was in sommige gevallen nog niet opgericht.

4.2 De ten laste gelegde feiten en zaaksdossiers
Bewijsmiddelen
De hierna in de voetnoten weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD met dossiernummer 47931 . De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documentnummers, nu het dossier, bestaande uit meer dan dertigduizend pagina’s, niet is voorzien van paginanummers.

5 Bewijs

5.1 Feit 2 Zaaksdossier 01 - [naam 12]

5.1.1 Inleiding
De Zwitserse professor [naam 12] ontwikkelde een schriftelijke leermethode met leermateriaal. Deze leermethode en het materiaal werden in Duitsland in de markt gezet door de vennootschappen van [naam 12] . Op enig moment heeft [naam 12] de rechten op de leermethode en het leermateriaal ingebracht in zijn rechtspersoon Anstalt für Lehrmittel (hierna: AFL), gevestigd in Liechtenstein.

5.1.2 De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij de Know How License Agreements tussen AFL en BHC (NL01-D256) en tussen BHC en BWA (NL01-D254), alsmede een factuur van BHC aan BWA (NL01-D257) valselijk heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad en/of dat hij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.

5.1.3 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de hele constructie staat en valt met de eerste overdracht van rechten door [naam 12] aan AFL en zo verder binnen de doorstroomstructuur. De overdracht van voornoemde rechten is vastgelegd in de know-how license agreement tussen [naam 12] en AFL en is ondertekend op 18 september 2003. (NL01-D008). De overeenkomst gaat in op 1 oktober 2003 en heeft een looptijd van 5 jaar. De know-how license agreements tussen AFL en BHC, ondertekend door [verdachte] , en tussen BHC en BWA AG, ondertekend door [medeverdachte] en [naam 3] , dateren echter van respectievelijk januari 2002 en januari 2003. Dat zou betekenen, aldus de officier van justitie, dat AFL en BHC rechten overdragen waarover zij op dat moment (nog niet) beschikken en dat is niet mogelijk. Om die reden zijn de overeenkomsten vals.
Ten aanzien van de factuur van 4 december 2003 van BHC aan BWA voor licentiegebruik vanaf januari 2002 tot en met oktober 2003, heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze eveneens vals is aangezien BHC in januari 2002 nog niet over de licentie kon beschikken en daar dus ook niet voor kon factureren.

5.1.4 Het standpunt van de verdediging
[verdachte] heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het niet duidelijk is om welke rechten het specifiek gaat nu de annex van beide overeenkomsten ontbreekt. Er zullen meerdere momenten zijn geweest waarbij [naam 12] gebruiksrechten overdroeg aan AFL. Het is niet vast te stellen dat de door AFL ter beschikking gestelde rechten aan BHC in januari 2002 dezelfde zijn als de later en op 18 september 2003 verkochte rechten. Daarnaast is de looptijd en het werkingsgebied in de overeenkomsten verschillend.
[verdachte] heeft slechts de overeenkomst tussen AFL en BHC opgemaakt en heeft niets te maken met de overeenkomst tussen BHC en BWA (NL01-D254) en de factuur (NL01-D257) die op grond van deze laatste overeenkomst is verstuurd.
Daarnaast kan enig feitelijk leiderschap niet automatisch volgen uit een formeel aandeelhouderschap.

5.1.5 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met [verdachte] van oordeel dat het aannemelijk is dat het in de hiervoor genoemde overeenkomsten tussen [naam 12] en AFL en tussen AFL en BHC om verschillende rechten gaat nu het werkingsgebied en de looptijd anders zijn.
Het is dus niet vast te stellen dat de rechten die BHC overgedragen krijgt van AFL op 25 januari 2002, dezelfde rechten zijn als die [naam 12] overdraagt aan AFL op 18 september 2003, nu bij beide overeenkomsten de daarin genoemde bijlage A, waarin de know how wordt gespecificeerd, ontbreekt.
Om die reden kan dan ook niet worden bewezen dat AFL, op het moment van het aangaan van de overeenkomst met BHC, niet over de rechten beschikte die zij in licentie aan BHC heeft gegeven en BHC op haar beurt weer in licentie heeft gegeven aan BWA en de overeenkomsten om die reden vals zijn.
Nu de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat de overeenkomsten vals zijn, kan evenmin worden vastgesteld dat de factuur van BHC aan BWA, waaraan de overeenkomst tussen BHC en BWA ten grondslag ligt, vals is.
De rechtbank zal [verdachte] dan ook op grond van het voorgaande vrijspreken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd nu daartoe wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

5.2 Feit 3 Zaaksdossier 03 – [naam 13]

5.2.1 Inleiding
De in Spanje wonende Nederlander [naam 13] heeft percelen grond verkocht via zijn onderneming [onderneming 1] , gevestigd in Spanje. Het gaat om de projecten [project 1] en [project 2] , beide behorend bij het Golf Resort van [naam 13] in [woonplaats 2] , Spanje. Met betrekking tot deze projecten heeft de inhouse vennootschap [naam bv 1] [onderneming 1] twee facturen gestuurd op grond van een agentenovereenkomst tussen [onderneming 1] en [naam bv 1] . De facturen zijn gedateerd op 4 en 25 juli 2006 en betreffen verkoopcommissie van respectievelijk ruim € 2 miljoen en bijna € 3,5 miljoen voor de projecten [project 1] en [project 2] . Ook bevat het dossier twee facturen die gelijk zijn aan de hiervoor beschreven facturen, met als enige verschil dat deze zijn gericht aan [onderneming 2] , een andere onderneming van [naam 13] , gevestigd in Luxemburg. De agentenovereenkomst is gedateerd 1 oktober 2005 en opgesteld in de Spaanse taal. Uit de Nederlandse vertaling blijkt dat de overeenkomst vermeldt dat [naam bv 1] “een vennootschap is waarvan het bedrijfsdoel, onder andere, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien” en “dat [naam bv 1] de wens heeft om als agent samen te werken met [onderneming 1] Group Spain S.A., voor de verkoop van grond en onroerend goed”.
Uit bankafschriften van [onderneming 2] van de CMB bank in Monaco volgt dat [onderneming 2] de betreffende bedragen reeds eind juli 2006 heeft ontvangen van [onderneming 1] . Bij de overboeking van het bedrag van bijna € 3,5 miljoen is de omschrijving ‘ [project 2] ’ opgenomen.
Uit bankafschriften die zijn verkregen van ING bank blijkt dat [naam bv 1] op 16 maart 2007 bovenvermelde factuurbedragen heeft ontvangen van [onderneming 2] , onder vermelding van de factuurnummers en factuuromschrijvingen.
Op basis van een agentenovereenkomst tussen [naam bv 1] en Wiltshire International Ltd (hierna: Wiltshire) heeft [naam bv 1] op 21 maart 2007 een bedrag van € 4.073.380,00 overgeboekt aan Wiltshire International Ltd. (hierna: Wiltshire).
Wiltshire, een offshore op Nevis, is een vennootschap van [naam 13] . De agentenovereenkomst tussen [naam bv 1] en Wiltshire is gedateerd op 6 september 2006 en bevat de bepaling dat Wiltshire als principaal de Europese markt en in het bijzonder de Spaanse markt zal verkennen, via het uitgebreide netwerk van [naam bv 1] , ten behoeve van de verkoop en ontwikkeling van vastgoedprojecten.
Met betrekking tot het project [project 1] bevat het dossier ook een factuur van Orient Invest, een vennootschap van [verdachte] , aan [naam bv 1] .. Deze factuur is gedateerd 22 juli 2007 en brengt een bedrag van € 66.200,00 in rekening voor de diensten die zijn verricht in maart ten behoeve van [project 1] .
Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] groep.

5.2.2 De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad dan wel dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Het gaat om de volgende geschriften:
(NL03-D052) de Agency Agreement tussen Wiltshire en [naam bv 1] , gedateerd 6 september 2006,
(NL03-D053) de agentenovereenkomst tussen [naam 13] en [naam bv 1] , gedateerd 1 oktober 2005,
(NL03-D062) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] van 4 juli 2006,
(NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] van 4 juli 2006,
(NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] van 25 juli 2006,
(NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] van 25 juli 2006 en
(NL03-D075) de factuur "invoice 07805" van Orient Invest aan [naam bv 1] van 22 juli 2007.
De valsheid zou er bij de overeenkomst tussen Wiltshire en [naam bv 1] in zijn gelegen dat die is ondertekend op 6 september 2006. De valsheid zou er bij de overeenkomst tussen [naam 13] en [naam bv 1] in zijn gelegen dat die is ondertekend op 1 oktober 2005, dat [naam bv 1] een vals bedrijfsdoel heeft opgenomen en dat [naam bv 1] de wens had om als agent samen te werken met de [onderneming 1] groep.
De valsheid van de facturen zou inhouden dat die op de genoemde data zijn opgemaakt en dat wordt voorgewend dat [naam bv 1] / Orient Invest werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot het vermelde factuurbedrag.

5.2.3 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheden en daartoe het volgende aangevoerd.
[naam 13] heeft een probleem als de al in juli 2006 verrichte commissiebetalingen van meer dan 5 miljoen euro van [onderneming 1] aan [onderneming 2] , een rechtspersoon van [naam 13] , niet door de directie van [onderneming 2] geaccepteerd worden. Wiltshire is op 6 september 2006 in handen gekomen van [naam 13] . Op 8 december 2006 heeft [medeverdachte] op het kantoor in Amsterdam op verzoek van Cofimo een eerste ontmoeting met [naam 13] . Er wordt een papieren constructie bedacht waardoor het commissiegeld achteraf van de ene buitenlandse (afgeschermde) rechtspersoon van [naam 13] naar de andere gesluisd kan worden. Van concreet verrichte werkzaamheden van een agent, zoals men in het geantedateerde contract wil doen voorkomen, is geen sprake.
De valsheden bestaan hierin dat de voornoemde overeenkomsten en facturen alle geantedateerd zijn en materieel ook niet kloppen. Alle stukken zijn opgemaakt nadat de beweerdelijke prestatie en betalingen allang verricht waren. De prestaties waarvoor gefactureerd wordt, zijn niet door de facturerende partij verricht.
De factuur van Orient Invest is volgens de officier van justitie eveneens geantedateerd want deze is in oktober 2007 opgemaakt en gedateerd op 22 juli 2007; de datum van oprichting van Orient Invest. De factuur wendt in strijd met de werkelijkheid voor dat Orient Invest werkzaamheden heeft verricht voor de oprichtingsdatum ten behoeve van het genoemde project.
[verdachte] is concreet betrokken geweest bij het vrijmaken van de offshore Wiltshire ten behoeve van [naam 13] bij Cofimo. Daarnaast, op 19 maart 2007, kort nadat [onderneming 2] de [onderneming 1] -commissie op de rekening van [naam bv 1] heeft gestort, geeft [verdachte] opdracht om de hele fee van [naam bv 1] in deze zaak direct weg te werken. [verdachte] laat zich ook betalen uit de fee van deze transactie. [verdachte] stuurt ter rechtvaardiging daarvan een factuur namens Orient Invest voor dat bedrag aan [naam bv 1] . [verdachte] wist dat het dossier [onderneming 2] / [naam bv 1] /Wiltshire een commissiestructuur was waarbij ongeveer 5 miljoen aan commissies werd betaald op de verkopen van land in Spanje en dat [naam 13] de UBO was, aldus de officier van justitie.

5.2.4 Het standpunt van de verdediging
[verdachte] heeft bepleit dat hij [naam 13] nooit heeft ontmoet en dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de documenten die zijn verbonden aan [naam bv 1] . Hij heeft ze niet opgemaakt en, omdat hij in [woonplaats 1] woonde en zelden in Nederland kwam, niet voorhanden gehad. Een formele positie als middellijk aandeelhouder leidt niet automatisch tot de conclusie dat [verdachte] op de hoogte zou zijn geweest van mogelijke strafbare feiten of hieraan zijn medewerking zou hebben gegeven. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden en daarvan is geen sprake, aldus [verdachte] . Het leidinggeven, sturend proberen op te treden en vanaf de zijkant roepen, zijn geen strafbare feiten. [verdachte] moet dus worden vrijgesproken van de ten laste gelegde valsheden van [naam bv 1] .
De factuur van Orient Invest aan [naam bv 1] is wel door [verdachte] opgesteld, maar dat is volledig in de VAE gebeurd, waardoor dit een zaak van de VAE is en aan de rechtbank geen rechtsmacht toekomt. De factuur is echter niet vals, omdat deze is verstuurd ter verkrijging van een vergoeding voor werkzaamheden die in de jaren daaraan voorafgaand zijn verricht.
Die werkzaamheden betreffen ook werkzaamheden in het project van [naam 13] .
Conform een afspraak uit maart 2007 gaat het om de verdeling van de commissie die is ontvangen van [naam 13] en moet die betaling worden gezien als aanbrengvergoeding. Van deze commissie is bovendien vennootschapsbelasting gereserveerd, hetgeen aantoont dat er geen frauduleuze intentie is verbonden aan deze commissieverdeling en factuur. De Nederlandse belastingdienst is dus ook niet benadeeld door deze factuur. Enige intentie tot vals opmaken van de factuur ontbrak. De factuur is ook niet gebruikt ter misleiding van onwetende derden. Ook voor de valsheid van deze factuur dient [verdachte] dus te worden vrijgesproken.

5.2.5 Het oordeel van de rechtbank
 De factuur van Orient Invest aan [naam bv 1] (NL03-D075)
Rechtsmacht
Hoewel het opmaken van deze factuur, zoals [verdachte] heeft aangevoerd, in de VAE is geschied, is de factuur gericht aan een Nederlandse vennootschap te Amsterdam en aangetroffen in het kantoorgebouw van de [trustkantoor] groep te Amsterdam. De factuur is dus verzonden naar Nederland. De rechtbank stelt dan ook vast dat het opmaken van deze factuur uiteindelijk uitwerking heeft in Nederland. Hierdoor wordt Nederland als pleegplaats van dit feit aangemerkt en komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Valsheid in geschrift; oogmerk tot misleiding
Bij de beantwoording van de vraag of valsheid in geschrifte bewezen kan worden, is het volgende van belang.
Van valsheid in geschrifte is sprake als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk is opgemaakt of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van het valse/vervalste geschrift als echt en onvervalst. Het oogmerk is gericht op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Aan het bewijs van dit oogmerk staat echter niet in de weg dat het gebruik van het document alleen zo nodig jegens derden plaatsvindt.
Een daadwerkelijk gebruik van het stuk is voor artikel 225 lid 1 Sr dus niet nodig en het gebruik behoeft niet te bestaan in bewijslevering waarvoor het stuk (in de eerste plaats) bestemd is.
Voor bewezenverklaring van het vereiste oogmerk is aldus beslissend of de verdachte de bedoeling had het valse geschrift te gebruiken of - door anderen - te doen gebruiken als ware het echt en onvervalst. Als het oogmerk niet uit de verklaring van de verdachte blijkt, zal het bewijs uit de omstandigheden van het geval moeten worden afgeleid. Als het geschrift door opzettelijk handelen van de verdachte in het maatschappelijk verkeer is gekomen, mag bij verdachte ook de bedoeling daartoe aanwezig worden geacht, tenzij door de verklaringen van de verdachte of anderszins aannemelijk wordt dat de verdachte niet de bedoeling had dat het geschrift gebruikt zou worden. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
Alle hiervoor onder 5.2.2. genoemde ten laste gelegde documenten (evenals deze factuur van Orient Invest) zijn bedoeld als grondslag te dienen voor de betalingen die partijen aan elkaar verrichtten en zijn opgenomen in de administratie van de vennootschappen van de [trustkantoor] groep en ook op het kantoor in Amsterdam aangetroffen.
De Hoge Raad heeft bepaald dat een bedrijfsadministratie in haar geheel wordt aangemerkt als een samenstel van geschriften bestemd om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen. Het opnemen van valse overeenkomsten en facturen in de bedrijfsadministratie kan derhalve bewezen worden verklaard als het valselijk opmaken van een geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr.
[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de ten laste gelegde factuur gedateerd op 22 juli 2007 heeft opgemaakt in het najaar van 2007 en daarop een datum heeft vermeld die lag voor de liquidatie van [naam bv 1] op 30 september 2007. Uit de documenteigenschappen blijkt dat deze factuur voor het laatst is opgeslagen op 30 oktober 2007 door [verdachte] . De factuur is dus geantedateerd.
Daarnaast wordt [verdachte] verweten dat de factuur vals is vanwege de vermelding dat Orient Invest werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot [project 1] en gerechtigd is tot een vergoeding. Orient Invest is opgericht op de factuurdatum van 22 juli 2007 en uit het dossier blijkt niet dat Orient Invest in de daarvoor liggende periode werkzaamheden heeft verricht. Bovendien heeft [verdachte] zelf verklaard dat de factuur vooral zag op een eerder afgesproken winstdeel als aanbrengvergoeding naast ook enkele werkzaamheden in het dossier [onderneming 1] . Aangezien de inhoud van de factuur niet overeenstemt met de werkelijkheid, de factuur ook op dit onderdeel valselijk opgemaakt door [verdachte] .
Door bewust een eerdere factuurdatum te kiezen dan de datum waarop de factuur is opgemaakt en daarop niet te vermelden dat het gaat om een winstaandeel heeft [verdachte] de factuur opzettelijk valselijk opgemaakt.
Voornoemde factuur is mede door [verdachte] opgemaakt om die factuur vervolgens als echt en onvervalst in de administratie op te nemen danwel te laten opnemen.
Door aldus te handelen, heeft [verdachte] de factuur in de bedrijfsadministratie van [naam bv 1] opgenomen en daarmee de mogelijke bewijsbestemming van deze geschriften, zowel in- als extern, onderkend.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse factuur als echt en onvervalst te gebruiken.
 De Agency Agreement tussen Wiltshire en [naam bv 1] (NL03-D052)
[medeverdachte] heeft op vrijdag 7 september 2007 een email gestuurd naar [naam 7] van Cofimo met de mededeling dat hij de overeenkomst aan hem zal toesturen, zodra die ondertekend is.
Hij vermeldde bovendien dat hij verwachtte dat hij de overeenkomst maandag zou hebben.
De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte] hiermee verwijst naar maandag 10 september 2007.
Op maandag 10 september 2007 stuurde [naam 44] , een notaris in Zwitserland, die als bestuurder van MHC SA (hierna: MHC) de directie voerde bij de offshore Wiltshire, per fax de Agency Agreement naar De [trustkantoor] groep, geadresseerd aan [medeverdachte] . De bijgevoegde overeenkomst is inhoudelijk gelijk aan de ten laste gelegde overeenkomst, maar bevat alleen een handtekening namens Wiltshire en als datum van ondertekening een datum van een jaar daarvoor, namelijk 6 september 2006.
Op 23 oktober 2007 stuurt [naam 44] Cofimo de eveneens door [medeverdachte] en [naam 2] namens [naam bv 1] ondertekende overeenkomst met Wiltshire aan Cofimo door.
De rechtbank kan niet vaststellen wat de exacte datum van ondertekening is geweest door [medeverdachte] , maar zij kan wel vaststellen dat dat in ieder geval tussen 10 september en 23 oktober 2007 is geweest. Nu de overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend op 6 september 2006, is de overeenkomst op dat onderdeel vals.
[medeverdachte] heeft door ondertekening van een één jaar eerder gedateerde overeenkomst deze overeenkomst opzettelijk vals opgemaakt. Door deze overeenkomst in de administratie op te nemen bestond bij [medeverdachte] tevens het oogmerk van misleiding.
 De agentenovereenkomst tussen [naam 13] en [naam bv 1] (NL03-D053)
De agentenovereenkomst is in de Spaanse taal opgesteld. [medeverdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de inhoud daarvan niet kende, totdat de FIOD in deze strafzaak de overeenkomst heeft laten vertalen. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij de overeenkomst heeft ondertekend zonder bewustzijn van de precieze inhoud. Uit het dossier blijkt echter dat [medeverdachte] op 4 februari 2010 uitleg heeft gegeven aan de Belastingdienst over de samenwerking met [naam 13] . Hij heeft in zijn fax aan de Belastingdienst, vanwege vragen vanuit Spanje over de betaling van de commissies inzake [project 1] , opgenomen dat de aard van de werkzaamheden van [naam bv 1] zag op bemiddeling bij de aan- en verkoop van onroerend goed projecten in binnen- en buitenland en heeft daarmee nagenoeg dezelfde omschrijving gegeven van de werkzaamheden, als die in de pas later door de FIOD vertaalde overeenkomst staat. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [medeverdachte] precies wist wat er in de Spaanstalige agentenovereenkomst tussen [naam 13] en [naam bv 1] stond.
[naam 13] heeft op 11 december 2006 per e-mail een agentenovereenkomst naar [medeverdachte] gestuurd, naar aanleiding van de ontmoeting die zij kort daarvoor hebben gehad. De overeenkomst die bij die email is gevoegd is inhoudelijk gelijk aan de ten laste gelegde overeenkomst, met dien verstande dat de gegevens van [naam bv 1] nog ontbraken en het stuk door niemand was ondertekend. De bedoeling is volgens [naam 13] om een herfacturering te laten plaatsvinden voor het einde van het jaar van rond 5 miljoen euro. Op 13 december 2006 heeft [medeverdachte] een email gestuurd naar [naam 13] met de gegevens van [naam bv 1] die moesten worden opgenomen in de overeenkomst. Tot slot heeft [medeverdachte] op 20 december 2006 de overeenkomst opnieuw naar [naam 13] gemaild, voorzien van een handtekening van [medeverdachte] en [naam 2] , waarbij [medeverdachte] , zoals hij zelf zegt gelet op de datum van de overeenkomst (van 1 oktober 2005), de naam van [naam bv 3] BV (hierna: [naam bv 3] ), de directie van [naam bv 1] , heeft aangepast naar [naam bv 4] BV (hierna: [naam bv 4] ) in verband met de recente naamswijziging per 20 november 2006 van [naam bv 4] in [naam bv 3] .
Hoewel op grond van het voorgaande niet kan worden vastgesteld op welke dag de overeenkomst is ondertekend, kan wel worden vastgesteld dat de ondertekening heeft plaatsgevonden medio december 2006 en niet, zoals op de overeenkomst is vermeld, op 1 oktober 2005.
Gezien voornoemde door [medeverdachte] doorgevoerde naamswijziging was hij zich er van bewust dat de datum van ondertekening van de overeenkomst meer dan een jaar na de contractdatum lag.
[medeverdachte] heeft de overeenkomst op dit punt dan ook opzettelijk vals opgemaakt.
Naast antedateren is ook is ten laste gelegd dat in de overeenkomst staat dat het bedrijfsdoel van [naam bv 1] , onder andere, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien en dat [naam bv 1] de wens heeft om als agent samen te werken met [onderneming 1] voor de verkoop van grond en onroerend goed. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat dit het bedrijfsdoel was van [naam bv 1] en dat er een wens was om als agent met [onderneming 1] te werken. Dat het ook niet de bedoeling is geweest van partijen blijkt uit de verklaring van [naam 13] dat de notariële afhandeling van de verkochte percelen al had plaats gevonden op 26 juni 2006, dus een half jaar vóór ondertekening van de agentenovereenkomst. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de werkzaamheden niet door [naam bv 1] zijn uitgevoerd en dat de overeenkomst ook inhoudelijk vals is. [medeverdachte] had opzet op deze valsheid omdat hij bevraagd door de belastingdienst over de achtergrond van de betaalde commissies precies dat heeft geantwoord wat partijen hierover in het contract hebben opgenomen, terwijl hij moet hebben geweten dat de werkzaamheden al voor ondertekening van de overeenkomst waren uitgevoerd. Door deze overeenkomst in de administratie op te nemen bestond bij [medeverdachte] tevens het oogmerk van misleiding.
 De facturen van [naam bv 1] aan [onderneming 1] en [onderneming 2] (NL03-D062 t/m NL03-D065)
[naam 13] heeft op 19 december 2006 de conceptfacturen voor [onderneming 1] gemaild naar [medeverdachte] met de mededeling dat hij dit jaar nog wat facturen in orde wilde hebben en met het verzoek om die facturen over te nemen op briefpapier van [naam bv 1] . Op 20 december 2006 heeft [naam 4] deze facturen gemaild naar [medeverdachte] . Nu [naam 13] het verzoek heeft gericht aan [medeverdachte] , heeft [medeverdachte] dit verzoek kennelijk doorgezet naar [naam 4] , die de facturen uiteindelijk heeft opgemaakt. De facturen worden gedateerd op 4 en 25 juli 2006 en betreffen verkoopcommissies met betrekking tot de percelen [project 1] en [project 2] .
Op 16 maart 2007 heeft [naam 13] [medeverdachte] gemaild met het verzoek om de factuur van 4 juli 2006 aan te passen, omdat het daarop vermelde bedrag niet overeen komt met de reeds verrichte betaling. Het bedrag moest verlaagd worden naar € 2.154.240,00, hetgeen ook op de ten laste gelegde factuur staat vermeld. [medeverdachte] heeft gedaan wat hem door [naam 13] is gevraagd en heeft op
19 maart 2007 per e-mail de aangepaste factuur naar [naam 13] gestuurd, die gelijk is aan de ten laste gelegde factuur.
Na controle door [naam 13] bedacht hij zich en besliste [naam 13] dat de factuur gericht moesten worden aan [onderneming 2] . [naam 13] heeft deze beslissing, tezamen met de adresgegevens van [onderneming 2] , per e-mail naar [medeverdachte] gestuurd op 21 maart 2007. [medeverdachte] heeft de aangepaste factuur, gelijk aan de ten laste gelegde factuur van 4 juli 2006, op dezelfde dag teruggestuurd. [medeverdachte] vraagt [naam 13] per mail of hij de andere factuur ook aan [onderneming 2] moet richten. Deze factuur van 25 juli 2006 is ook aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat [medeverdachte] eveneens deze factuur heeft aangepast.
De rechtbank concludeert dat uit voorgaande blijkt dat de facturen geantedateerd zijn. Ook is op deze facturen in strijd met de waarheid opgenomen dat [naam bv 1] tot een verkoopcommissie gerechtigd is vanwege verrichte werkzaamheden. Zoals blijkt uit de verklaring van [naam 13] waren de werkzaamheden al afgerond ruim voordat [medeverdachte] een eerste ontmoeting had met [naam 13] . Uit het dossier en de behandeling ter zitting blijkt ook niet dat [naam bv 1] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [onderneming 1] en [onderneming 2] anders dan administratieve werkzaamheden, waaronder onder meer het opmaken, aanpassen en versturen van facturen en contracten en het laten doorstromen van gelden naar de offshore. Niet is gebleken van verkoopwerkzaamheden van [naam bv 1] die commissiebedragen van ruim 2 en 3 miljoen euro rechtvaardigen. De verweren van [verdachte] en [medeverdachte] dat de offshore of derden de werkzaamheden hebben verricht danwel dat er sprake is van herfacturatie slagen niet. Dat blijkt immers niet uit de facturen, waaruit enkel kan worden opgemaakt dat juist de inhouse de vermelde werkzaamheden heeft verricht. De facturen zijn derhalve op alle in de tenlastelegging genoemde punten valselijk opgemaakt.
De opzet van [medeverdachte] op de valsheid van de facturen volgt daaruit dat uit de mailwisseling tussen [naam 13] en [medeverdachte] blijkt dat [medeverdachte] zonder vragen te stellen voldoet aan de verzoeken van [naam 13] om in december 2006 geantedateerde facturen aan [onderneming 1] op te maken en dat hij deze facturen daarna wederom op verzoek van [naam 13] zo aanpast dat ze gericht zijn aan [onderneming 2] , een maritiem bedrijf, terwijl er volgens de agentenovereenkomst als agent met [onderneming 1] zou worden gewerkt voor de verkoop van onroerend goed. De conclusie is dan ook dat [medeverdachte] deze facturen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en tevens het oogmerk tot misleiding had door deze facturen in de administratie op te nemen danwel te laten opnemen.
Voorhanden hebben
Bij beantwoording van de vraag of het door [verdachte] voorhanden hebben van valse geschriften bewezen kan worden is het volgende van belang.
Van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift is sprake als verdachte een zodanig geschrift voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
Er is sprake van opzettelijk voorhanden hebben als het valse geschrift aan verdachte wordt afgeleverd. Maar voorhanden hebben omvat ook het elders hebben liggen. Essentieel bij voorhanden hebben is het tot de beschikking hebben in die zin dat gebruik kan worden gemaakt van de bewijsbestemming van het geschrift, indien dat wordt gewenst. Verder dient er wetenschap of een vermoeden te bestaan van de bestemming tot gebruik als ware het geschrift echt en onvervalst. Alle ten laste gelegde documenten zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van de rechtspersonen van de [trustkantoor] groep. Doordat de documenten waren opgenomen in de administratie wist [verdachte] dat de stukken bestemd waren tot gebruik als ware die documenten echt en onvervalst. Ook had [verdachte] volledige toegang tot en zeggenschap over de administratie en daarmee de beschikking over die documenten.
[verdachte] heeft derhalve alle ten laste gelegde valse geschriften samen met [medeverdachte] voorhanden gehad.
Feitelijk leiding geven
De factuur van Orient Invest is, zoals hiervoor overwogen, door [verdachte] zelf valselijk opgemaakt. De overige facturen en overeenkomsten zijn niet door [verdachte] opgemaakt.
De rechtbank ziet onvoldoende rechtstreekse betrokkenheid van [verdachte] bij het opmaken van deze geschriften om hem als medepleger aan te merken. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of deze valsheden kunnen worden toegerekend aan [verdachte] als feitelijk leidinggever.
Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat [verdachte] aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.
Strafbaarheid van de rechtspersoon – juridisch kader
Voor de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat volgens artikel 51 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht feitelijk leidinggevers kunnen worden vervolgd indien strafbare feiten worden begaan door rechtspersonen.
De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vragen:
is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?
kan de verboden gedraging – die door de natuurlijke persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?
kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?
De beantwoording van de vraag, of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge raad, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is geweest voor de rechtspersoon;
de gedraging past in de normale bedrijfsuitoefening van de rechtspersoon;
de gedraging dienstig geweest is voor het door hem uitgeoefende bedrijf;
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Strafbaarheid van de rechtspersoon
De inhouse vennootschappen, waaronder [naam bv 1] , zijn geadresseerden van de norm, te weten de verplichting om correcte facturen en overeenkomst op te maken en voorhanden te hebben.
In dit geval zijn de verboden handelingen verricht door [medeverdachte] , die als bestuurder werkzaam was voor [naam bv 1] . Het opmaken van documenten ten behoeve van de bedrijfsadministratie valt binnen de normale bedrijfsvoering van de [trustkantoor] groep, waar [naam bv 1] onder valt, en die gedraging is [naam bv 1] dienstig geweest en [naam bv 1] vermocht erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Derhalve kunnen de verboden gedragingen – hetgeen ten laste is gelegd als opzettelijk geschriften valselijk opmaken en voorhanden hebben – aan [naam bv 1] worden toegerekend mits opzet kan worden bewezen.
Opzet van de rechtspersoon
De rechtbank heeft hiervoor acht geslagen op de werkwijze van de rechtspersoon met betrekking tot het opmaken van geschriften en het voorhanden hebben daarvan. Uit hiervoor genoemde mailwisselingen in het dossier blijkt dat binnen de [trustkantoor] groep en dus ook bij [naam bv 1] een cultuur bestond waarbij het opmaken en vooral ook de inhoud van overeenkomsten en facturen kon worden gedirigeerd door klanten. Dit had als gevolg, zoals ook blijkt uit overwegingen hiervoor, dat verzoeken van klanten, zoals [naam 13] , klakkeloos werden opgevolgd en uitgevoerd, waardoor valse documenten werden opgesteld, verstuurd en in de administratie opgenomen. Niet is gebleken dat hierop enige vorm van toezicht plaatsvond binnen de rechtspersoon. Er was weliswaar een compliance officer, maar die hield alleen toezicht op de trusttak en niet op de handelstak waarbinnen het opmaken van de valse documenten plaatsvond, zo blijkt uit verklaringen van getuige [naam 9] ter zitting.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de rechtspersoon, door onzorgvuldig om te gaan met het opstellen van documenten en de administratie in het algemeen en daarin valse geschriften te op te nemen , willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij, in strijd met de waarheid, valse geschriften zou opmaken en voorhanden hebben.
Feitelijk leidinggeven – juridisch kader
Vervolgens is de vraag aan de orde of [verdachte] daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Bij de beoordeling van de vraag of iemand als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is, moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste. Ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan feitelijk leidinggever zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijk leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.
Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan gedacht worden aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.
Feitelijk leidinggeven door [verdachte]
heeft de [trustkantoor] groep mede opgezet en verder uitgebouwd. [verdachte] stuurde alle directies aan van de verschillende trustkantoren binnen de groep. In 2005 heeft hij de groep overgenomen van [naam 1] . De medewerkers van het trustkantoor in Amsterdam hebben verklaard dat [verdachte] aan de touwtjes trok, zich tot op detailniveau met klanten en dienstverlening bemoeide, en bijna dagelijks langdurig met het kantoor in Amsterdam telefoneerde. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de dossiers van bijna alle kanten kende en dat hij en [naam 7] nieuwe klanten ook altijd doorgaven aan [verdachte] . Ook overlegde [medeverdachte] bijna altijd met [verdachte] over wijzigingen en aanpassingen in overeenkomsten. [naam 44] heeft verklaard dat [verdachte] bij Cofimo werkzaam was als afgevaardigd bestuurder en dat hij zich bezig hield met de dossiers die hij bij de [trustkantoor] groep onderbracht. Volgens [naam 7] hield [verdachte] zich in Monaco vooral bezig met wat er in Nederland gebeurde.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] de leiding had qua klantenbeheer, dat hij het overzicht had en dat hij vanuit Monaco veel klanten aanstuurde. De rest van het team, waaronder ook [medeverdachte] en [naam 2] , was volgens [getuige] uitvoerend.
Hieruit blijkt dat [verdachte] het beleid bepaalde bij de rechtspersonen van de groep, waaronder [naam bv 1] , waarvan [verdachte] vanaf augustus 2005 tot en met oktober 2007 via andere vennootschappen de uiteindelijke aandeelhouder was.
leverde ook een bijdrage aan het complex van verboden gedragingen door zelf te antedateren, zoals hij deed bij de hierboven genoemde factuur van Orient Invest.
is bovendien betrokken geweest bij het aanbrengen van [naam 13] als klant van de
[trustkantoor] groep. Ook was een vennootschap van [verdachte] , E&E corporate management Ltd, DGA van Wiltshire ten tijde van de oprichting. Deze vennootschap is op
6 september 2006 overgedragen aan [naam 13] . Hieruit leidt de rechtbank af dat de contacten en de samenwerking tussen in ieder geval [verdachte] en [naam 13] reeds dateren van de zomer 2006.
Hoewel [medeverdachte] de voornaamste contactpersoon van [naam 13] was, zijn in dit dossier ook werkzaamheden verricht door [verdachte] , die daarvoor ook gefactureerd heeft. Zo bevat het dossier een e-mailbericht van 19 maart 2007 van [verdachte] , gericht aan [medeverdachte] met het verzoek om facturen op te maken ten behoeve van onder meer Istvar (een vennootschap van [medeverdachte] ), San Lime en Cofimo. Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat dit een vergoeding was voor de werkzaamheden die hij heeft verricht, onder meer in het dossier van [naam 13] .
Daar waar [verdachte] bij de opmaak van valse documenten niet direct een bijdrage leverde en meer op de achtergrond was, geldt dat [verdachte] bevoegd was en redelijkerwijs gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen. Dat heeft hij niet gedaan. [naam 9] is weliswaar aangesteld als compliance officer, maar hij bemoeide zich niet met de handelstak, maar alleen met de trusttak, die sinds 2004 - in tegenstelling tot de handelstak - onder toezicht stond. De bemoeienis van [verdachte] zelf met opmaak van documenten leek vooral gericht op het voor de buitenwereld kloppend krijgen van de administratie en niet op het voorkomen van opmaken van valse geschriften. [verdachte] heeft zelfs meerdere keren verklaard dat de geantedateerde en valse documenten geen wezenlijk belang hadden, enkel een intern doel dienden, waarbij geen Nederlandse fiscale belangen speelden, omdat de vennootschapsbelasting steeds keurig werd betaald en dat er geen derdenbelangen werden geschaad. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij altijd de gebruikelijke compliance werkzaamheden verrichtte, die er onder meer in bestonden dat hij een onderzoek deed naar de klanten. Een deugdelijk compliance onderzoek, zo is [verdachte] ook voorgehouden tijdens de zitting, had hem in ieder geval vragen moeten doen stellen over [naam 13] . Immers sinds mei 2006 verschenen er meerdere alarmerende berichten in verschillende media over [naam 13] , zijn Spaanse golfresort [project 1] en de kort gedingen die [naam 15] tegen [onderneming 1] aanspande omdat hij niet langer verbonden wilde zijn aan [project 1] , dat volgens [naam 15] na vijf jaar nog steeds een bouwput was. Door zo te handelen als hiervoor omschreven, heeft [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragen zich binnen de rechtspersonen van de groep zouden voordoen.
De rechtbank acht aldus bewezen dat [verdachte] opzet had op de ten laste gelegde verboden gedragingen en als feitelijk leidinggever verantwoordelijk is geweest voor de uitvoering daarvan.

5.2.6 De bewezenverklaring
Onder feit 3 is bewezen dat [verdachte]
in de periode van 30 september 2007 tot en met 31 oktober 2007 te Amsterdam en de Verenigde Arabische Emiraten, opzettelijk een geschrift, te weten:
- ( (NL03-D075) de factuur "invoice 07805" van Orient Invest Ltd. aan [naam bv 1] , gedateerd 22 juli 2007,
zijnde een geschrift dat bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen en laten gebruiken, voornoemde valsheid bestaat hieruit dat valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 Orient voor [naam bv 1] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 66.200 wegens "professional services during March on [project 1] , time spent, co-ordination in Spain as requested and agreed with directors [naam bv 1] including of disbursments" en dat deze factuur is opgemaakt op 22 juli 2007,
en
in de periode van 1 december 2006 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften te weten,
(NL03-D052) de Agency Agreement tussen Wiltshire International Ltd. en [naam bv 1] , gedateerd 6 september 2006,
(NL03-D053) de agentenovereenkomst "Contrato de Agencia" tussen [naam 13] , en [naam bv 1] , gedateerd 1 oktober 2005,
twee facturen, te weten
(NL03-D062) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 4 juli 2006 en
(NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 4 juli 2006,
4. twee facturen, te weten
(NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 25 juli 2006 en
(NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 25 juli 2006,
5. ( (NL03-D075) de factuur "invoice 07805" van Orient Invest Ltd. aan [naam bv 1] , gedateerd 22 juli 2007,
opzettelijk voorhanden hebben gehad terwijl zij wisten dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken, voornoemde valsheid bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: deze overeenkomst is ondertekend op 6 september 2006,
 ad 2.: deze overeenkomst is ondertekend op 1 oktober 2005, dat [naam bv 1] een vennootschap is "waarvan het bedrijfsdoel, onder andere, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien" en dat [naam bv 1] de wens heeft "om als agent samen te werken met [onderneming 1] GROUP SPAIN, S.A., voor de verkoop van grond en onroerend goed",
 ad 3.: [naam bv 1] voor [onderneming 1] en [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 2.154.240 wegens "sales commission for the plot RC305/306 in [project 1] " en dat die facturen zijn opgemaakt op 4 juli 2006,
 ad 4.: [naam bv 1] voor [onderneming 1] en/of [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 3.352.320 wegens "sales commission for the plots RA-261 TO 266/RA-287 TO 286 ( [project 2] )" en dat die facturen zijn opgemaakt op 25 juli 2006, en
 ad 5.: Orient voor [naam bv 1] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 66.200 wegens "professional services during March on [project 1] , time spent, co-ordination in Spain as requested and agreed with directors [naam bv 1] including of disbursments" en dat deze factuur is opgemaakt op 22 juli 2007;
en subsidiair
"Amstellodamus" Real Estate BV (voorheen [naam bv 1] ) in de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Amsterdam en de Verenigde Arabische Emiraten, opzettelijk geschriften, te weten:
(NL03-D052) de Agency Agreement tussen Wiltshire International Ltd. en [naam bv 1] , gedateerd 6 september 2006,
(NL03-D053) de agentenovereenkomst "Contrato de Agencia" tussen [naam 13] , en [naam bv 1] , gedateerd 1 oktober 2005,
2 facturen, te weten (NL03-D062) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 4 juli 2006 en (NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 4 juli 2006,
2 facturen, te weten (NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 25 juli 2006 en (NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [naam bv 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 25 juli 2006,
zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft laten opmaken zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen en laten gebruiken, terwijl zij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken, voornoemde valsheid bestaat hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: deze overeenkomst is ondertekend op 6 september 2006,
 ad 2.: deze overeenkomst is ondertekend op 1 oktober 2005, dat [naam bv 1] een vennootschap is "waarvan het bedrijfsdoel, onder andere, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien" en dat [naam bv 1] de wens heeft "om als agent samen te werken met [onderneming 1] GROUP SPAIN, S.A., voor de verkoop van grond en onroerend goed",
 ad 3.: [naam bv 1] voor [onderneming 1] en [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 2.154.240 wegens "sales commission for the plot RC305/306 in [project 1] " en dat die facturen zijn opgemaakt op 4 juli 2006, en
 ad 4.: [naam bv 1] voor [onderneming 1] en/of [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 3.352.320 wegens "sales commission for the plots RA-261 TO 266/RA-287 TO 286 ( [project 2] )" en dat die facturen zijn opgemaakt op 25 juli 2006,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven.

5.3 Feit 4 Zaaksdossier 04 – R.R.D.

5.3.1 Inleiding
RRD Reti Radiotelevisive Digitali S.p.A. te Milaan (hierna: RRD) is in de ten laste gelegde periode een vennootschap van [naam 16] . De vennootschap houdt zich bezig met de overdracht van audio- en videosignalen door middel van het gebruik van televisiefrequenties voor de ontvangst op mobiele apparatuur. [naam 16] is via [naam 7] in contact gekomen met [medeverdachte] , voor het opzetten van een fiscaal gunstige royaltystructuur voor zijn intellectuele eigendomsrechten. [naam 7] heeft zelf een offshore voor [naam 16] geregeld, namelijk Papyrus.
Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] groep.

5.3.2 De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad, dan wel dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Specifiek gaat het om de volgende stukken, :
(NL04-D102) de Nominee Agreement tussen Papyrus en GBC, gedateerd 25 september 2006,
(NL04-D099) de Service Agreement tussen GBC en RRD, gedateerd 1 maart 2006,
(NL04-D103) de factuur "invoice 60630" van GBC aan RRD, gedateerd 30 juni 2006.
De valsheid bij de overeenkomsten zou de genoemde datum van inwerkingtreding zijn.
De Service Agreement zou bovendien valselijk vermelden dat die is ondertekend op 1 maart 2006. De facturen zijn geantedateerd en wenden valselijk voor dat de genoemde diensten zijn verricht.

5.3.3 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit en daartoe het volgende aangevoerd.
[medeverdachte] en [naam 16] hebben samen de tenlastegelegde overeenkomsten en factuur vervalst.
De nominee agreement tussen Papyrus en GBC is op 25 september 2006 namens de offshore en door [medeverdachte] en [naam 3] namens GBC ondertekend, maar valselijk opgemaakt als effective as of February 2006. De ondertekening van de service agreement tussen GBC en RRD is valselijk gedateerd op 1 maart 2006 en ondertekend door zowel [naam 16] (namens RRD) en door [medeverdachte] en [naam 3] (namens GBC). Door voorgaande gang van zaken wordt het onjuiste beeld geschapen dat er al vanaf februari 2006 een contractuele relatie heeft bestaan tussen RRD, GBC en Papyrus, terwijl Papyrus toen nog op de plank lag bij Cofimo. [medeverdachte] had [naam 16] toen nog helemaal niet ontmoet; de eerste ontmoeting was pas in juni 2006.
Uit e‑mailberichten in het dossier volgt dat de overeenkomsten pas in juni 2006 zijn opgemaakt, terwijl de factuur pas in juli 2006 is opgemaakt. De factuur is opgemaakt op verzoek van [naam 16] en daar heeft geen prestatie aan ten grondslag gelegen. De specificatie op de factuur is daarom ook vals.
Het gefactureerde bedrag is door GBC ontvangen van RRD op 14 juli 2007. Op 17 juli 2007 is een bedrag van € 1.235.045,00 door GBC betaald aan Papyrus.
[verdachte] is eind mei 2006 concreet betrokken bij het vrijmaken van de offshore Papyrus en op 4 augustus 2006 tekent hij de fiche client bij Cofimo. Uit de fiche client blijkt ook dat [naam 16] via Cofimo betrokken was bij meerdere rechtspersonen die door Cofimo geleverd waren. [naam 16] nam dus veel meer diensten af dan deze alleen. Het is daarom niet goed denkbaar dat intern bij Cofimo de klantactiviteiten voor [naam 16] niet met [verdachte] zijn besproken, aldus de officier van justitie.

5.3.4 Het standpunt van de verdediging
[verdachte] heeft bepleit dat hij moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd in deze zaak, omdat hij hier op geen enkele wijze bij betrokken is geweest. Geen van de in de tenlastelegging genoemde documenten zijn door [verdachte] opgesteld, ondertekend danwel in zijn opdracht opgesteld of ondertekend. Een formele positie als middelijk aandeelhouder van GBC leidt niet automatisch tot de conclusie dat [verdachte] op de hoogte zou zijn geweest van strafbare feiten of hieraan zijn medewerking zou hebben gegeven. Hij gaf geen leiding aan verboden gedragingen.
Van medeplegen is ook geen sprake nu [verdachte] part noch deel had aan de feitelijke activiteiten. [verdachte] kan uit dien hoofde dan ook niet hebben samengewerkt ter voltooiing van enig delict of hier enige wetenschap van hebben gehad, aldus [verdachte] .

5.3.5 Het oordeel van de rechtbank
 De Nominee Agreement tussen Papyrus en GBC (NL04-D102)
[naam 16] heeft verklaard dat de constructie met [medeverdachte] erop was gericht om de winsten laag te houden. [naam 7] heeft Papyrus opgericht voor [naam 16] ten behoeve van de overschrijvingen op grond van valse facturen. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring blijkt dat de samenwerking met [medeverdachte] pas is begonnen nadat [naam 16] de beschikking kreeg over Papyrus. Uit het dossier blijkt dat Papyrus op 21 juni 2006 in handen is gekomen van [naam 16] .
Gelet daarop is het dus niet mogelijk dat er al een contractuele relatie was tussen Papyrus en GBC in februari 2006, zoals door de nominee agreement wordt voorgewend. Om die reden is de overeenkomst vals.
Dat [medeverdachte] hiervan wetenschap had, blijkt, uit de inhoud van de e-mailberichten in het dossier. [medeverdachte] heeft op 26 juni 2006 per e-mail aan [naam 16] laten weten dat hij naar aanleiding van hun ontmoeting wacht op informatie. Diezelfde dag liet [naam 7] per e-mail aan [medeverdachte] weten dat de tweede naam Papyrus zal zijn. Daarnaast liet [naam 16] op 28 juni 2006 aan [medeverdachte] weten dat hij zich kon wenden tot [naam 7] om de samenwerking te starten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] , door toch in de overeenkomst op te nemen dat deze in werking zou treden per 22 februari 2006, de overeenkomst valselijk heeft opgemaakt; hij wist immers dat partijen elkaar toen nog niet ontmoet hadden, maar pas in juni 2006.
 De Service Agreement tussen GBC en RRD (NL04-D099) en de factuur van GBC aan RRD (NL04-D103)
Zoals hiervoor is komen vast te staan, is de samenwerking met [naam 16] pas gestart in juni 2006. Om die reden kan de Service agreement tussen GBC en RRD niet van kracht zijn sinds 1 maart 2006 en is deze overeenkomst eveneens vals. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [naam 16] in zijn e-mailbericht van woensdag 28 juni 2006 aan [medeverdachte] liet weten dat hij haast had en dat hij voor maandag (de rechtbank begrijpt 3 juli 2006) een factuur moest hebben van bijna € 1,3 miljoen voor verschillende diensten zoals genoemd in zijn e-mailbericht.
Daarbij schrijft hij: “Pls refer to a first meeting started last september and an agreement in Amsterdam last march”..
Op 5 juli 2006 stuurt [medeverdachte] per e-mail ter accordering een conceptfactuur van 30 juni 2006 aan [naam 16] alsmede een concept service agreement met als ingangsdatum 1 februari 2006 en ondertekeningsdatum 1 maart 2006.
Op 10 juli 2006 reageert [naam 16] op de mail van [medeverdachte] en geeft aan dat hij zo snel mogelijk de factuur en de documenten moet ontvangen. Hij geeft daarbij aan wat er precies op de factuur moet komen te staan.
Op 11 juli 2006 stuurt [medeverdachte] per e-mail de gevraagde factuur aan [naam 16] en op diezelfde dag stuurt [medeverdachte] de ten laste gelegde factuur per e-mail aan [naam 3] , ten behoeve van haar bestand.
Op 25 juli 2006 stuurt [medeverdachte] de final version van de overeenkomst naar [naam 16] en [naam 3] .
Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen op welke dag de overeenkomst uiteindelijk is ondertekend, blijkt uit het voorgaande dat dit in ieder geval op of na 25 juli 2006 is gebeurd en niet, zoals op de overeenkomst vermeld, op 1 maart 2006. Door toch in de overeenkomst op te nemen dat deze op 1 maart 2006 is ondertekend en van kracht is vanaf 1 februari 2006, heeft [medeverdachte] deze opzettelijk (op verzoek van [naam 16] ) valselijk opgemaakt.
Ook blijkt uit het voorgaande dat de factuur is opgemaakt op 10 of 11 juli 2006 en dus niet op 30 juni 2006, zoals vermeld op de factuur. Daarnaast wordt uit de e-mailcorrespondentie tussen [naam 16] en [medeverdachte] duidelijk dat het een factuur is waar geen werkzaamheden van GBC aan ten grondslag hebben gelegen, en dat [medeverdachte] daarvan wist. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam 16] tegenover de Italiaanse autoriteiten. [naam 16] heeft over de facturen van GBC verklaard dat deze vals zijn. [medeverdachte] had [naam 16] verteld dat hij hem kon helpen om de winst te verlagen door een constructie die eruit bestond dat [medeverdachte] vennootschappen werden gebruikt om door [naam 16] in dienst van de business van RRD verrichte werkzaamheden te factureren, aldus [naam 16] .
De rechtbank concludeert dat de factuur door [medeverdachte] opzettelijk valselijk is opgemaakt, nu deze is geantedateerd en nu daarin in strijd met de werkelijkheid wordt voorgewend dat GBC werkzaamheden voor RRD heeft verricht en dat GBC gerechtigd is tot het factuurbedrag.
[medeverdachte] heeft de overeenkomsten en de facturen in de bedrijfsadministratie van GBC opgenomen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat hij het oogmerk had om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
 De betrokkenheid van [verdachte]
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beoordelen of bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen) van het valselijk opmaken van voornoemde geschriften dan wel het voorhanden hebben daarvan of dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan voornoemde gedragingen.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat [verdachte] betrokken is geweest bij het opstellen van de hiervoor genoemde valse documenten. Het enkele ondertekenen van een fiche client en het feit dat [naam 16] meerdere diensten afnam bij Cofimo, zodat het niet anders kan dan dat [verdachte] op de hoogte moet zijn geweest van de gang van zaken, zoals door de officier van justitie aangevoerd, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal [verdachte] worden vrijgesproken van het (medeplegen) van valsheid in geschrifte.
De rechtbank houdt [verdachte] echter wel als feitelijk leidinggever verantwoordelijk zoals subsidiair aan hem ten laste is gelegd.
Daarvoor wordt in de eerste plaats verwezen naar hetgeen over strafbaarheid van rechtspersonen en feitelijk leidinggeven hiervoor bij de bespreking van zaaksdossier 03 ( [naam 13] ) is overwogen. Toegesneden op het onderhavige zaaksdossier, kunnen de verboden gedragingen aan de rechtspersoon GBC worden toegerekend. [verdachte] was bestuurder en beleidsbepaler van GBC. Daar waar [verdachte] bij de opmaak van de valse documenten geen bijdrage leverde en meer op de achtergrond was, geldt dat [verdachte] bevoegd was en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen.
Dat heeft hij niet gedaan. Door dit nalaten heeft [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich binnen de rechtspersonen van de groep zouden voordoen.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk opmaken van de ten laste gelegde valse facturen.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde voorhanden hebben van de documenten overweegt de rechtbank als volgt. De documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] groep.Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] deze facturen (tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ) voorhanden heeft gehad.

5.3.6 De bewezenverklaring
Onder feit 4 is bewezen dat [verdachte]
primair
in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 september 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:
(NL04-D102) de Nominee Agreement tussen Papyrus Corporate Services Ltd. en Global Business & Communications (the Netherlands) BV, gedateerd 25 september 2006,
(NL04-D099) de Service Agreement tussen Global Business & Communications (the Netherlands) BV en RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 1 maart 2006, en
(NL04-D103) de factuur "invoice 60630" van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 30 juni 2006,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,
voornoemde valsheid bestaat hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: "this agreement is effective as of 22 Februari 2006",
 ad 2.: "this service agreement is effective as of 1 March 2006" en dat deze overeenkomst is "Signed this 1st day of March 2006", en
 ad 3.: de factuurdatum 30 juni 2006 is en/of dat GBC de in die factuur vermelde services ten behoeve van RRD heeft verricht,
en subsidair
Global Business & Communications (the Netherlands) BV in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 september 2006 te Amsterdam, opzettelijk geschriften, te weten:
(NL04-D102) de Nominee Agreement tussen Papyrus Corporate Services Ltd. en Global Business & Communications (the Netherlands) BV, gedateerd 25 september 2006,
(NL04-D099) de Service Agreement tussen Global Business & Communications (the Netherlands) BV en RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 1 maart 2006, en
(NL04-D103) de factuur "invoice 60630" van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 30 juni 2006,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl zij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,
voornoemde valsheid/valsheden bestaat hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: "this agreement is effective as of 22 Februari 2006",
 ad 2.: "this service agreement is effective as of 1 March 2006" en dat deze overeenkomst is "Signed this 1st day of March 2006", en
 ad 3.: de factuurdatum 30 juni 2006 is en/of dat GBC de in die factuur vermelde services ten behoeve van RRD heeft verricht,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven.

5.4 Feit 5 Zaaksdossier 05 - Intratennimenti

5.4.1 Inleiding
GL Intrattenimenti Srl (hierna: Intrattenimenti) was een Italiaanse vennootschap van [naam 17] (hierna: [naam 17] ) en [naam 18] die zich bezig hield met het ontwikkelen van software voor videogames.
In 2004 is Intrattenimenti via Cofimo in contact gebracht met de [trustkantoor] groep. Tussen februari en december 2005 heeft Intrattenimenti drie betalingen aan de inhouse vennootschap BHC verricht, voor een totaalbedrag van € 2.105.000,-. De ontvangen gelden van Intrattenimenti werden, na aftrek van een commissie, overgemaakt ten gunste van een bankrekening in Monaco op naam van Amiral Corporation Ltd, een offshore in Nevis. De UBOʼs van deze offshore waren de eigenaren van lntrattenimenti, [naam 17] en [naam 18] .
Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] groep.

5.4.2 De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad, dan wel dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Specifiek gaat het om de volgende stukken:
(NL05-D094) de Know-How License Agreement tussen BHC en Intrattenimenti, ongedateerd,
(NL05-D098) de factuur "invoice 1240712" van BHC aan Intrattenimenti, gedateerd 12 juli 2004,
(NL05-D099) de factuur "invoice 1271011" van BHC aan Intrattenimenti, gedateerd 11 oktober 2004.
De valsheid bij al deze documenten zou de datering zijn. Met de facturen zou bovendien valselijk zijn voorgewend dat BHC de genoemde diensten heeft verricht en gerechtigd was op de daarop vermelde bedragen.

5.4.3 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde valsheden bewezen en voert daartoe het volgende aan.
[medeverdachte] heeft in oktober 2004 een meeting met de heren [naam 19] van Banca del Gottardo en met [naam 20] , de adviseur van [naam 17] . Ten behoeve van het op te stellen contract met betrekking tot het factureren van de fees aan de Italiaanse vennootschap is een offshore nodig.
Deze offshore wordt Amiral, die op 3 december 2004 wordt opgericht te Nevis.
Op 26 november 2004 zijn er conceptcontracten gereed en [medeverdachte] stuurt deze naar [naam 19] en [naam 20] met de opmerking dat de datum van het sluiten van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast. Na retourzending van de overeenkomst is in het contract inzake Intrattenimenti de startdatum gecorrigeerd naar 1 mei 2004. [medeverdachte] doet nadien nog wat kleine aanpassingen en stuurt op 14 december 2004 de definitieve versie naar [naam 19] .
De know how license agreement is onder andere door [medeverdachte] ondertekend.
Ten behoeve van de facturen ontvangt [medeverdachte] van [naam 19] een overzicht op 21 december 2004. In dit overzicht zijn factuurdata met bedragen opgenomen. De ten laste gelegde facturen hebben respectievelijk de data 12 juli 2004 en 11 oktober 2004.
Nu partijen elkaar pas voor het eerst hebben ontmoet in oktober 2004 en Amiral pas op 4 december 2004 is opgericht, kan niet reeds voordien know how zijn overgedragen c.q gelicentieerd. Het contract dat een ingangsdatum heeft van 1 mei 2004 is daarmee vals.
Inhoudelijk zijn de facturen vals want op genoemde data bezat BHC nog helemaal geen rechten op basis waarvan zij royalties in rekening kon brengen.
[verdachte] heeft bemoeienis gehad met dit dossier. Dat blijkt uit het e-mailverkeer op 1 maart 2005 waarin [verdachte] constateert dat er over 2004 ruim 3 miljoen is gefactureerd en waarschijnlijk het contract tussen Amiral en BHC er nog niet is. [verdachte] geeft vervolgens duidelijk instructies over wat er aan Amiral moest worden overgemaakt na inhouding van commissies voor BHC en dat er een contract moet komen tussen BHC en de licentiegever.
[verdachte] weet dus, aldus de officier van justitie, dat er geen contract is in maart 2004 en dat de facturatie geen titel heeft gehad. [verdachte] grijpt niet in, corrigeert de facturen niet maar accepteert de situatie.

5.4.4 Het standpunt van de verdediging
[verdachte] heeft vrijspraak bepleit. Geen van de aangehaalde contracten of facturen in de tenlastelegging zijn door [verdachte] ondertekend of door hem opgesteld en zij zijn ook niet in zijn opdracht opgesteld. Ook heeft hij geen andere feitelijke rol in strafrechtelijke zin vervuld. Een formele positie als middelijk aandeelhouder leidt niet automatisch tot de conclusie dat
[verdachte] dus op de hoogte zou zijn geweest van strafbare feiten of hieraan zijn medewerking zou hebben gegeven. Dit zal moeten blijken uit de feitelijk omstandigheden en die doen zich niet voor.

5.4.5 Het oordeel van de rechtbank
 De Know-How License agreement tussen BHC en Intrattenimenti (NL04-D094) en de facturen van BHC aan Intrattenimenti (NL05-D098 en NL05-D099)
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] via Cofimo in contact is gekomen met [naam 19] . [naam 19] heeft op 18 oktober 2004 per e-mail aan [medeverdachte] laten weten dat één van zijn cliënten, Intrattenimenti reeds grote winsten had gemaakt en dat [naam 7] deze klant al had ontmoet en een structuur had voorgesteld. [naam 7] zou het één en ander nader toelichten tijdens zijn ontmoeting met [medeverdachte] op 22 oktober 2004.
[medeverdachte] geeft per e-mailbericht van 12 november 2004 opdracht aan [naam 3] om concept contracten op te maken tussen BHC en Italy Co en tussen BHC en off shore co. De eerste is een commissie/agency overeenkomst voor verleende services en de tweede een licentieovereenkomst. Bij e-mailbericht van 26 november 2004 bericht [medeverdachte] onder meer aan [naam 19] dat de twee concept know how overeenkomsten bijgevoegd zijn en dat de datum van ingang van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast.
Uit het dossier volgt dat Amiral is opgericht op 3 december 2004 en dat vanaf dat moment MHC de bestuurder was. De UBO’s van deze offshore zijn de gebroeders [naam 17].
Bij e-mailbericht van 14 december 2004 bericht [medeverdachte] aan [naam 19] dat hij de finale versie van de know how overeenkomst heeft bijgesloten en dat hij wat kleine aanpassingen heeft gemaakt. Voorts vraagt hij om de details voor de te versturen facturen, zodat dat ook die week gedaan kan worden. [naam 19] stuurt op 21 december 2004 een e-mail naar [medeverdachte] met een lijst met factuurdata, royaltyperiodes en de te factureren bedragen.
Bij e-mailbericht van 6 januari 2005 krijgt [medeverdachte] van [naam 20] een herinnering over voornoemde facturen. [medeverdachte] bedankt op dezelfde datum voor deze herinnering via e-mail en zegt dat de facturen verstuurd worden. De facturen zijn door Intrattenimenti betaald op
26 februari 2005 en 14 juli 2005.
De overeenkomst tussen BHC en Intrattenimenti is namens BHC door [medeverdachte] en [naam 3] ondertekend.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nu Amiral is opgericht op 3 december 2004 en partijen elkaar pas ontmoet hebben in oktober 2004, er niet reeds voordien vanaf 1 mei 2004, know how kan zijn overgedragen. De know how license agreement is om die reden dan ook vals.
Dat heeft eveneens te gelden voor de op grond van die overeenkomst verstuurde facturen. Immers, op de factuurdata bezat BHC nog helemaal geen rechten op basis waarvan zij royalties in rekening kon brengen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat gelet op het voorgaande bewezen kan worden dat [medeverdachte] de overeenkomst en de facturen heeft (laten) op(ge)ma(a)k(en)t en dat hij wist dat de inhoud daarvan in strijd was met de werkelijkheid, immers [medeverdachte] geeft zelf aan dat de ingangsdatum van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast en bovendien weet hij dat die datum van voor de eerste ontmoeting tussen partijen ligt. Door zo te handelen heeft [medeverdachte] de facturen en de overeenkomst in de bedrijfsadministratie van BHC opgenomen en daarmee dat de mogelijke bewijsbestemming van die geschriften, zowel in- als extern, onderkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
 De betrokkenheid van [verdachte]
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beoordelen of bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen) van het valselijk opmaken van voornoemde geschriften dan wel het voorhanden hebben daarvan of dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan voornoemde gedragingen. De rechtbank overweegt het volgende.
Bij e-mail bericht van 1 maart 2005 bericht [verdachte] aan [medeverdachte] en [naam 9] dat hij ongerust is en dat sommige zaken in het dossier toch wel verbetering behoeven. Over 2004 is een bedrag van ruim 3 miljoen euro gefactureerd maar het dossier is niet op orde. [verdachte] meldt ook dat hij het mailtje van 12 november 2004 van [medeverdachte] heeft gezien met het verzoek een contract op te stellen maar dat dat contract er volgens hem nog niet is. Hij geeft vervolgens instructies aan [medeverdachte] en [naam 9] over de opbouw van een nieuw dossier binnen BHC en verzoekt dat met onmiddellijke ingang te doen.
Vervolgens geeft [verdachte] duidelijk instructies aan [medeverdachte] , [naam 2] en [naam 5] inzake Amiral.
Bij e-mailbericht van 7 maart 2005 verzoekt [verdachte] ten slotte om een licentie overeenkomst tussen BHC en Amiral op basis van schaal als gemeld in de mail van [medeverdachte] van 12 november 2004.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is overwogen het [medeverdachte] is geweest die de documenten valselijk heeft opgemaakt en uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] met de opmaak van die documenten enige bemoeienis heeft gehad. Evenmin blijkt uit het dossier dat [verdachte] contacten daaromtrent heeft gehad met [naam 19] . Wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs zal de rechtbank [verdachte] dan ook vrijspreken van het (medeplegen) van valsheid in geschrifte.
De rechtbank acht echter wel bewezen dat [verdachte] daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, zoals subsidiair aan hem ten laste is gelegd.
Daarvoor wordt in de eerste plaats verwezen naar hetgeen over strafbaarheid van rechtspersonen en feitelijk leidinggeven bij de bespreking van zaaksdossier 03 ( [naam 13] ) is overwogen. Toegesneden op het onderhavige zaaksdossier, kunnen de verboden gedragingen aan de rechtspersoon BHC worden toegerekend. [verdachte] was bestuurder en beleidsbepaler van BHC. Zoals uit de hiervoor aangehaalde e-mailberichten blijkt, leverde hij ook een bijdrage aan het complex van verboden gedragingen door zelf instructies te geven hoe het dossier moest worden opgebouwd en welke documenten daartoe moesten worden opgesteld. Een en ander om het dossier op orde te krijgen en zo te kunnen opnemen in de administratie van BHC waarbij de rechtbank van oordeel is dat het oogmerk daarbij op misleiding van derden gericht was nu de stukken zien op een periode voordat partijen elkaar ontmoet hadden.
Door zo te handelen heeft [verdachte] feitelijk leidinggegeven aan het opzettelijk opmaken van valse documenten.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde (medeplegen van het )voorhanden hebben van de documenten is de rechtbank van oordeel dat dit feit eveneens bewezen kan worden nu de documenten op 13 maart 2012 zijn aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] groep.
 Conclusie
Op grond van hetgeen hiervonder onder 5.2.5. is overwogen acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de opmaak van de valse overeenkomsten en facturen van BHC en tezamen met anderen alle geschriften voorhanden heeft gehad.

5.4.6 De bewezenverklaring
Onder feit 5 is bewezen dat [verdachte]
primair
in de periode van 21 december 2004 tot en met 31 juli 2005 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:
(NL05-D094) de Know-How License Agreement tussen Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV en G.L. Intrattenimenti S.r.L., ongedateerd,
(NL05-D098) de factuur "invoice 1240712" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 12 juli 2004, en
(NL05-D099) de factuur "invoice 1271011" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 11 oktober 2004,
zijnde valse geschriften voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken, voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: "This agreement shall commence as of May 1st 2004",
 ad 2.: de factuurdatum 12 juli 2004 is en dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 744.700 wegens "royalties for the months of May and June of 2004 as to our contract dated 1 May 2004", en
 ad 3.: de factuurdatum 11 oktober 2004 is en dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 962.000 wegens "royalties for the 3rd quarter of 2004 as to our contract dated 1 May 2004",
en subsidair
Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV in de periode van 21 december 2004 tot en met 31 juli 2005 te Amsterdam, opzettelijk geschriften, te weten:
(NL05-D094) de Know-How License Agreement tussen Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV en G.L. Intrattenimenti S.r.L., ongedateerd,
(NL05-D098) de factuur "invoice 1240712" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 12 juli 2004, en
(NL05-D099) de factuur "invoice 1271011" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 1] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 11 oktober 2004,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft laten opmaken zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat
 ad 1.: "This agreement shall commence as of May 1st 2004",
 ad 2.: de factuurdatum 12 juli 2004 is en dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 744.700 wegens "royalties for the months of May and June of 2004 as to our contract dated 1 May 2004", en
 ad 3.: de factuurdatum 11 oktober 2004 is en dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 962.000 wegens "royalties for the 3rd quarter of 2004 as to our contract dated 1 May 2004",
tot het plegen van welke bovengenoemde strafbare feiten [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven.

5.5 Feit 6 Zaaksdossier 12 - [vennootschap]

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken