Rb. Amsterdam 5 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:795
Vordering tot opheffing beslag. Samruk heeft haar vordering met name gestoeld op de stelling dat gedaagde c.s. geen vorderingen hebben op Samruk, maar alleen op Kazachstan en dat er geen gronden zijn om Samruk met de staat de vereenzelvigen. Recht van Kazachstan is van toepassing op beantwoording van de vraag of de omstandigheid dat Samruk een juridisch zelfstandige entiteit is, tot opheffing van het onderhavige beslag dient te leiden. Voorzieningenrechter oordeelt dat Samruk in haar verhouding tot Kazachstan feitelijk-economisch zelfstandigheid mist, in die zin dat Samruk zich tegenover Kazachstan niet op haar juridische zelfstandigheid kan beroepen om een eigen, van dat van (de politiek verantwoordelijken in) Kazachstan afwijkend, beleid te voeren. Aangenomen moet worden dat Samruk door Kazachstan is opgericht met (tenminste mede) als doel om haar vermogen buiten de greep van schuldeisers van Kazachstan te houden. Aannemelijk is dat Kazachstan niet bereid is de vorderingen van gedaagde c.s. te voldoen. Voorshands voldoende aannemelijk is dat Samruk misbruik maakt van haar in beginsel bestaande bevoegdheid zich tegenover gedaagde c.s. op haar juridische zelfstandigheid te beroepen. Slotsom luidt dat niet summierlijk de ondeugdelijkheid is gebleken van de vordering of het recht waarop gedaagde c.s. zich beroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl