Rb. Amsterdam 19 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6686
De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (artikel 392 Rv) naar aanleiding van het beroep op dwaling met betrekking tot een met een bank overeengekomen rentederivaat. De vragen zien op de omvang van mededelingsplicht van artikel 6:228 lid 1 onder b BW (verhouding tot HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, het nadeelvereiste in het geval de risico’s (kenmerken waarop het beroep op dwaling wordt gegrond) van een rentederivaat zich niet hebben verwezenlijkt (verhouding tot HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854 en het bepaalde in artikel 6:230 BW), het causaliteitsvereiste en het kenbaarheidsvereiste van artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW (vergelijk HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9398). Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2018:6687.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4946
- Hof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:255
- Rb. Amsterdam 8 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4286
- HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854
- HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815
- HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9398
- HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559