Rb. Amsterdam 29 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1874
Verweer ten aanzien van artikel 12 Overleveringswet. De rechtbank stelt vast dat op grond van de verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman niet fysiek aanwezig was tijdens de terechtzitting en dus niet ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd. Anders dan artikel 12 OLW, gebruikt artikel 4 bis Kaderbesluit niet het begrip ‘ter terechtzitting’, maar het begrip ‘op het proces’. Het begrip ‘ter terechtzitting’ moet kaderbesluitconform worden uitgelegd. Volgens het Hof van Justitie moet onder het begrip ‘proces (dat tot de beslissing heeft geleid)’ worden verstaan de ‘procedure (die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, onherroepelijk is veroordeeld)’ (zie laatstelijk HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 64). De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is, want uit de gegevens blijkt dat: - de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces (dat wil zeggen de voorgenomen procedure) - de opgeëiste persoon zijn raadsman schriftelijk heeft gemachtigd - de raadsman weliswaar heeft afgezien van zijn aanwezigheid op de zittingen, - maar de raadsman de opgeëiste persoon daadwerkelijk – zij het schriftelijk – in de procedure (dus ‘op het proces’) heeft verdedigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl