Rb. Amsterdam 20 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1596

De Belgische onderzoekrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vraagt overlevering van een Belgisch onderdaan die verdacht wordt van betrokkenheid bij een levensdelict. Het CPT heeft op 8 maart 2018 een rapport gepubliceerd naar aanleiding van een bezoek van 27 maart tot 6 april 2017 aan gevangeniscomplexen en politiebureaus in België. Het gevangeniscomplex te België heeft deel uitgemaakt van dit bezoek. De bevindingen van het CPT zijn zorgwekkend. De rechtbank onderkent de door het CPT gesignaleerde zorgen. Niettegenstaande de rapportage van het CPT is de rechtbank van oordeel dat zij geen bewijzen heeft dat voor gedetineerden die door Nederland aan België worden overgeleverd, bij de huidige stand van zaken en gelet op de gegeven algemene waarborgen, een reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punten 88 en 89). De detentieomstandigheden in België vormen dan ook geen reden de overlevering van de opgeëiste persoon naar België niet toe te staan. De rechtbank verwijst bij deze overweging naar haar uitspraak van 15 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:868 Bij deze vaststelling is het niet aan de rechtbank om een individuele garantie te vragen met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon gedetineerd zal zijn in een gevangenis in België. De raadsman – maar in het bijzonder de opgeëiste persoon in zijn laatste woord – heeft gesteld dat de opgeëiste persoon lijdt aan psychische problematiek. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij eerder in de gevangenis in België is bedreigd door familieleden van het slachtoffer die werkzaam zijn in de inrichting, dat hij is uitgescholden en naakt in een isoleercel is opgesloten terwijl hij leed aan een psychose waarvoor hij niet de passende zorg kreeg. Voor zover de rechtbank hetgeen is aangevoerd zou moeten opvatten als een beroep op een voltooide schending van rechten die gewaarborgd zijn in artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest, faalt het verweer. De rechtbank stelt vast dat elke onafhankelijke onderbouwing aan het verweer ontbreekt. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen in welke gevangenis in België de opgeëiste persoon wel of juist niet moet worden geplaatst. Ook is het niet mogelijk dat de rechtbank aan de officier van justitie verzoekt of opdraagt hiernaar onderzoek te doen alvorens de overlevering feitelijk plaatsvindt. De rechtbank is hiertoe niet bevoegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken