Rb. Amsterdam 14 december 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9368

EAB Polen vervolging en executie, weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde. Heropening onderzoek ivm artikel 6 OLW: Er is voldoende aangetoond dat de opgeëiste persoon in ieder geval vanaf 1 januari 2012 onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Conclusie is verder dat de opgeëiste persoon op 1 januari 2017 een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven, omdat hij op dat moment vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht daarna heeft verloren. De opgeëiste persoon is sindsdien immers niet meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig geweest uit Nederland en er is niet gebleken van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid die leiden tot verlies van het duurzame verblijfsrecht. De periode dat de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, maakt het bovenstaande niet anders. Ook in het geval een periode van overleveringsdetentie niet mee zou tellen in het kader van het verkrijgen van duurzaam verblijf, dan nog zou dit in deze zaak geen verschil maken nu de periode van overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon na de periode valt waarin hij zijn duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. De opgeëiste persoon heeft dan ook aangetoond dat hij sinds 1 januari 2012 tot heden onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Hij voldoet dus aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Tevens voldaan aan de 2e en 3e voorwaarde voor gelijkstelling. Er is dus voldaan aan alle vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon wellicht heeft geprobeerd – in de formulering van de officier van justitie – onder de radar te blijven, maakt dat niet anders. De gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander heeft gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de OLW tot gevolg dat ten aanzien van de overlevering voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek zal moeten worden gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voormelde terugkeergarantie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen. Voor zover de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraffen, geldt dat uit artikel 6, tweede lid, van de OLW zou volgen dat de overlevering niet wordt toegestaan, waarna de officier van justitie op grond van artikel 6, derde lid, van de OLW de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis zou moeten stellen van de bereidheid om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen. Over (de systematiek van) deze bepalingen zijn door de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie in de zaak Poplawski, die bij arrest van 29 juni 2017 (C-579/15) zijn beantwoord. Daaruit komt naar voren dat de rechtbank executieoverlevering van Nederlanders en met Nederlanders gelijk te stellen vreemdelingen slechts kan weigeren als strafovername gegarandeerd is. De rechtbank ziet aanleiding het onderzoek ook om deze reden te heropenen. De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld na te gaan of de strafovername gegarandeerd is en verzocht daaromtrent op de volgende zitting een standpunt in te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen