Rb. Amsterdam 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7675
Voor zover er sprake zou zijn geweest van de voorafgaande inzet van bijzondere opsporingsmethoden in het kader van een strafprocedure, staat in de overleveringsprocedure een eventuele strafrechtelijke aanhouding die daaraan vooraf ging, niet ter toetsing van de overleveringsrechter. Ook overigens heeft een eventueel onrechtmatig handelen geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de aanhouding in het kader van de procedures van de OLW. Artikel 21, eerste lid, van de OLW, bepaalt namelijk dat een opgeëiste persoon op basis van een EAB dat voldoet aan alle vereisten omschreven in artikel 2 van de OLW, zonder verdere formaliteiten kan worden aangehouden. Hetzelfde geldt voor de voorlopige aanhouding uit hoofde van artikel 17 van de OLW voor een opgeëiste persoon die gesignaleerd staat. Het door de raadsman nu reeds vooruitlopen op de straftoemeting in de vorm van een levenslange gevangenisstraf en vervolgens op een situatie waarin ongewenstverklaring en vervolgens uitzetting, uitlevering of doorlevering aan Albanië aan de orde komt met daarbij behorende mogelijke mensenrechtenschendingen is prematuur en staat nu niet ter beoordeling van de rechtbank. Voorts vindt overlevering alleen plaats aan de justitiële autoriteiten van landen die lid zijn van de Europese Unie. Hetgeen thans wordt aangevoerd kan indien het door de raadsman geschetste scenario zich inderdaad zou voordoen, aan de Duitse rechter worden voorgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl