Rb. Amsterdam 14 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6825
Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (verweerder) heeft de vaststelling van drie toevoegingen ingetrokken en gemuteerd, omdat er volgens verweerder sprake is van processuele en inhoudelijke samenhang tussen de zaken. Het ging om toevoegingen voor rechtshulp in cassatie in drie zaken, met afzonderlijke tenlasteleggingen. Volgens de Raad zijn de zaken gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting behandeld en is daarom sprake van processuele samenhang (volgens artikel 21 en artikel 18, eerste lid, van het Bvr). De rechtbank vindt dat daarvan geen sprake is. Uit de arresten en uit de conclusies van de advocaat-generaal is niet op te maken dat de zaken op enig moment inhoudelijk ter zitting zijn behandeld, terwijl uit artikel 18 Bvr volgt dat wel sprake moet zijn van enige inhoudelijke behandeling ter zitting. Er zijn alleen zittingen geweest als bedoeld in artikel 438 Sv en artikel 439 Sv en dat zijn geen zittingen waarop de zaken inhoudelijk worden behandeld. Uit de omstandigheid dat de arresten op dezelfde dag zijn uitgesproken blijkt ook niet dat er een gezamenlijke behandeling ter zitting is geweest. Bovendien staat in artikel 18, eerste lid, van het Bvr dat de zitting waarbij alleen uitspraak wordt gedaan, niet wordt gezien als een zitting als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De zaken zijn dus niet gelijktijdig of (nagenoeg) aansluitend op dezelfde zitting zijn behandeld. Verweerder heeft daarom ten onrechte gesteld dat sprake is van processuele samenhang. Pas als sprake is van processuele samenhang, geldt dat sprake moet zijn van inhoudelijke samenhang. Aan die vraag wordt in dit geval dus niet meer toegekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl