Rb. Amsterdam 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5781
Een Poolse man wordt er door de Tsjechische justitie van verdacht dat hij zich aan een verkrachting heeft schuldig gemaakt. De man stelt dat zijn verdedigingsrechten zijn en worden geschonden doordat de Nederlandse officier van justitie niet voortvarend is ingegaan op het in artikel 21a Overleveringswet bedoelde verzoek. Dit artikel staat sinds 1 maart 2017 in de wet. Dit verweer wordt verworpen. Voorts vreest hij voor schending van zijn mensenrechten indien hij in Tsjechië voor een ernstig zedendelict wordt veroordeeld. Zijn vrees betreft de mogelijkheid van chirurgische castratie. De rechtbank heeft hier onderzoek naar gedaan en stelt vast dat dat de Tsjechische overheid erkent dat deze vorm van castratie voorkomt, maar dat deze ingreep uitsluitend op vrijwillige basis gebeurt bij patiënten en niet als een straf of maatregel kan worden opgelegd. De ingreep kan niet worden uitgevoerd bij gedetineerden en moet zijn voorzien van strenge waarborgen. De rechtbank is op basis van het CPT rapport en op basis van de door de Tsjechische rechter gegeven aanvullende informatie van oordeel dat de opgeëiste persoon bij overlevering niet zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar op schending van zijn mensenrechten, in casu de door hem gevreesde ‘chirurgische castratie’. Voor zover uit de rapportage van de CPT afgeleid zou kunnen worden dat deze commissie enige twijfel heeft bij de voor de ingreep vereiste vrijwilligheid wordt die twijfel niet nader onderbouwd. Om die reden gaat de rechtbank hier aan voorbij. De overlevering aan Tsjechië is toelaatbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl