Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578

Overlevering aan Duitsland toegestaan. Verweer: De omschrijving van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht is niet te kwalificeren naar Nederlands recht, in aanmerking genomen de Nederlandse jurisprudentie met betrekking tot ‘oplichting’. Hij heeft daarbij verwezen naar twee arresten van de Hoge Raad van respectievelijk 2 november 2010, NJ 2010/600 en van 22 februari 2011, NJ 2011/102. Indien het feit niet naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd, wordt niet voldaan aan de in artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f van de WETS genoemde voorwaarde en moet de overlevering worden geweigerd Oordeel rechtbank: De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het in het EAB omschreven feitencomplex en neemt in aanmerking de Nederlandse jurisprudentie en het arrest van 11 januari 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza)). De rechtbank stelt vast dat uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht zich bij het bankfiliaal te Reinsfeld te hebben voorgedaan als een persoon die een geldlening wenste aan te gaan maar dat hij op dat moment al niet van plan was deze lening ooit terug te betalen. Dit valt onder het ‘aannemen van een valse hoedanigheid’ als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht (Sr). Voorts heeft de opgeëiste persoon bij het aangaan van deze lening verklaard dat hij met gebruik van deze lening een woning wilde renoveren. Ook dit was in strijd met de waarheid en kan gezien worden als het ‘aanwenden van een samenweefsel van verdichtsels’ als bedoeld in artikel 326 Sr. Op grond van deze bevindingen valt naar Nederlandse jurisprudentie niet uit te sluiten dat het feitencomplex onder de Nederlandse kwalificatie van artikel 326 Sr valt. De rechtbank is voorts van oordeel dat aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid is voldaan, nu de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het door de uitvaardigende justitiële autoriteit omschreven feitencomplex, als zodanig ook op het grondgebied van de uitvoerende staat kunnen worden bestraft indien dat feit op dat grondgebied zou hebben plaatsgevonden (Grundza). Hiermee is tevens vastgesteld dat is voldaan aan de in artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f WETS gestelde voorwaarde, nu het onder 4 bedoelde feit naar Nederlands recht strafbaar is en kan worden gekwalificeerd als oplichting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken