Rb. Amsterdam 26 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:10214
In geschil is een uitspraak van de huurcommissie met betrekking tot het gehuurde dat de tijdelijke vermindering van de huurprijs (vanwege ernstige gebreken) per 1 juli 2016 wordt opgeheven. Kantonrechter stelt vast dat in de uitspraak van de huurcommissie (conform het in art. 7:262 BW gestelde) ten onrechte staat vermeld dat partijen zich tot de rechter kunnen wenden, indien zij zich niet met de uitspraak van de huurcommissie kunnen verenigen. Nu het niet gaat om een uitspraak van de huurcommissie op grond van een van de in het Burgerlijk Wetboek geregelde procedures, is evenmin de zogenaamde “fictie van wilsovereenstemming” van toepassing, die inhoudt dat partijen aan een uitspraak van de huurcommissie gebonden zijn, indien zij zich niet binnen acht weken tot de kantonrechter wenden. Daarom staat het partijen vrij om bij de (kanton)rechter een verklaring voor recht te vorderen omtrent het al dan niet opgeheven zijn van de gebreken waarvoor een tijdelijke vermindering van de huurprijs was bepaald en daarmee over het al dan niet voortduren van de tijdelijke vermindering. Een dergelijke vordering staat in de sleutel van art. 7:207 BW, dat bepaalt dat een huurvermindering ten gevolge van een gebrek geldt tot de dag waarop het gebrek is verholpen. Kantonrechter beoordeelt dan de vraag of aangenomen kan worden dat het gebrek dat heeft geleid tot de huurprijsvermindering verholpen is. Het gehuurde wordt aangemerkt als bestaande bouw en aangesloten wordt bij de in het Gebrekenboek gehanteerde maatstaf. Uit die maatstaf volgt dat er geen sprake is van een gebrek, waardoor er evenmin gronden zijn voor een huurvermindering ook na 1 juli 2016.
De uitspraak op rechtspraak.nl