Rb. Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8447

(Voor zover deze tekst afwijkt van de tekst in de uitspraak is de uitspraak bepalend). Op 1 januari 2015 is de Huisvestingswet ingetrokken en is de gewijzigde Huisvestingswet 2014 in werking getreden. De onder de oude huisvestingswet opgestelde regionale huisvestingsverordening voor de regio Amsterdam, is per 1 juli 2015 gewijzigd en deels al aangepast aan de Huisvestingswet 2014. Een ongewijzigd deel bleef terugslaan op de oude huisvestingswet. Het overgangsrecht in onder meer de Huisvestingswet 2014 regelt dat de regelgeving van de regionale verordening nog maximaal een jaar mocht worden toegepast. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat in die periode in één verordening naar twee verschillende wetten, de oude en de nieuwe huisvestingswet, wordt verwezen. Vast staat dat door de wijziging een onjuiste verwijzing in de verordening is opgenomen. De verordening regelt een boete op overtreding van artikel 7 en 30 van de ‘wet’. Volgens de definitiebepaling in de verordening is de ‘wet’, de Huisvestingswet 2014. De door verweerder bedoelde verbodsbepalingen staan echter niet in artikel 7 en 30 van de Huisvestingswet 2014, maar in artikel 7 en 30 van de oude huisvestingswet. De rechtbank is van oordeel dat deze onjuiste verwijzing moet worden gezien als een kennelijke verschrijving. Daarbij is van belang dat de onjuiste verwijzing zinledig is; volgt men de onjuiste wetsverwijzing, dan komt men uit bij de artikelen 7 en 30 van de Huisvestingswet 2014, die geen verbodsbepaling bevatten. Ook is van belang dat het nooit de bedoeling van de wetgever is geweest om de verbodsbepalingen te laten vervallen. Het vorenstaande leidt er toe dat de onjuiste verwijzing verbeterd moet worden gelezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken