Rb. Amsterdam 18 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:719
Deze zaak betreft een verzoek om overlevering van de Roemeense autoriteiten ter tenuitvoerlegging in Roemenië van een aan de opgeëiste persoon in Roemenië opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank heeft onder verwijzing naar een prejudiciële verwijzingsbeslissing van het Hanseatisches Oberlandesgericht in Bremen (Duitsland) van 8 december 2015, waarin wordt verwezen naar het rapport van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van 24 september 2015 (CPT/inf [2015] 32) en de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 juni 2014 (Voicu/Roemenië, 22015/10; Bujorean/Roemenië, 13054/12; Mihai Laurentiu Marin/Roemenië, 79857/12 en Constantin Aurelian Burlacu/Roemenië, 51318/12), oog voor de zorgwekkende detentieomstandigheden in Roemenië. De rechtbank heropent het onderzoek ter zitting om de beantwoording door het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie van de door het Hanseatisches Oberlandesgericht in Bremen gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
De uitspraak op rechtspraak.nl