Rb. Amsterdam 4 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7182

Verweerder heeft een keerverbod ingesteld voor rondvaartboten in de Singelgracht tussen de Leidsebrug en de Museumbrug jaarlijks in de periode tussen 1 april en 1 oktober. Indien de rondvaartboten van eiseressen via de Leidsebrug de Singelgracht opvaren, zijn zij in die periode dus genoodzaakt te keren op de Singelgracht tussen de Museumbrug en de Heinekenbrug. Omdat de rondvaartboten nu dus verder moeten doorvaren om te kunnen keren, lijden eiseressen schade. Verweerders besluit tot het instellen van een keerverbod berust op twee pijlers , namelijk het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer en het voorkomen van schade door het scheepvaartverkeer. In het kader van de eerste pijler heeft verweerder overwogen dat sinds 2010 het aantal boten op de Singelgracht ter hoogte van het keerverbod fors is toegenomen, met name sinds de heropening van het Rijksmuseum in april 2013. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. De overweging in het bestreden besluit, dat het belang van het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer is gediend met het instellen van het keerverbod, is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Datzelfde geldt voor de overweging dat het belang van het voorkomen van schade door het scheepvaartverkeer is gediend met het instellen van het keerverbod. In dit kader heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zijn standpunt, dat het keren van rondvaartboten tot schade leidt, onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover evenwel toch van schade moet worden uitgegaan, valt bovendien zonder nadere motivering niet in te zien waarom er op de locatie waar nu moet worden gekeerd minder schade zou ontstaan of waarom deze schade minder bezwaarlijk zou zijn. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen