Rb. Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7067

De kinderopvangtoeslag van verzoekster is beëindigd, omdat zij en haar kinderen niet langer op een woonadres, maar op een postadres stonden ingeschreven in de BRP. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Awir een inschrijving in de BRP van ouder en kind op hetzelfde woonadres vereist. In artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn uitzonderingen op deze bepaling opgenomen. Verweerder heeft aangegeven dat er buiten de in de Awir en de daarop gebaseerde regeling neergelegde uitzonderingen, nog meer uitzonderingen worden toegestaan. Niet duidelijk is geworden op welke wettelijke grondslag deze uitzonderingen zijn gebaseerd of dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid, maar duidelijk is dat er kennelijk uitzonderingsmogelijkheden naast de reeds genoemde wettelijke uitzonderingen bestaan. Net als in het geval van verzoekster gaat het daarbij om situaties waarin de ouder en kinderen niet op hetzelfde woonadres in de BRP staan ingeschreven, maar waarbij wel voldoende vaststaat dat de ouder en kinderen feitelijk op hetzelfde woonadres verblijven. Mogelijk kan dus ook in het geval van verzoekster, wanneer zij met deugdelijke bewijsmiddelen kan onderbouwen op welk woonadres zij samen met haar kinderen feitelijk woonachtig is geweest, een dergelijke uitzondering worden aangenomen, hetgeen verweerder in het verweerschrift ook heeft aangegeven. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen