Rb. Amsterdam 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6672
Erfrecht. Geschil tussen erfgenamen (twee kleinzonen) over de vraag of een woonhuis tot de nalatenschap behoort. Erflater heeft bij leven de economische eigendom van een woonhuis aan één van zijn kleinzonen geleverd. De kleinzoon heeft gebruik gemaakt van de aan hem door erflater verleende onherroepelijk volmacht tot levering van de juridische eigendom. Die levering is rechtsgeldig, waardoor het woonhuis geen deel heeft uitgemaakt van de nalatenschap (artikelen 3:74, 3:77 en 4:182 BW). Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs al zou de juridische eigendom op grond van het legaat aan de kleinzoon zijn afgegeven, het woonhuis geen deel uitmaakt van de nalatenschap. De constructie waarbij bij de verkoop van een onroerend goed slechts de economische eigendom werd geleverd en de juridische eigendom (nog) niet, terwijl gelijktijdig bij testament erfrechtelijke voorzieningen werden getroffen om de juridische eigendom op de koper/economisch eigenaar langs de erfrechtelijke weg (bij legaat) over te kunnen laten gaan, was destijds gebruikelijk en had uitsluitend een fiscaal motief. Het testament kan niet anders worden uitgelegd dan dat de bedoeling van erflater was dat het woonhuis na het overlijden van erflater en erflaatster door afgifte van het legaat in volledige eigendom aan kleinzoon zou toekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl